DSM-IV criteria
van Asperger: 01.35 DSM IV
Stoornis van Asperger:
A.
Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals blijkt uit
tenminste twee van de volgende:
1) duidelijke stoornissen in het gebruik van
veelvoudig nonverbaal gedrag zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking,
lichaamshoudingen en gebaren om desociale interactie te bepalen
2) er niet in slagen met leeftijdgenoten tot bij het
ontwikkelingsniveaupassende relaties te komen
3) tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of
prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien, brengen of
aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn)
4) afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid
B.
Beperkte, zich herhalende en
stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten, zoals
blijkt uit ten minste een van de volgende:
1) sterke preoccupatie met een of meer stereotiepe en
beperkte patronen van
belangstelling die abnormaal is in ofwel intensiteit of aandachtspunt
2) duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines
of rituelen
3) stereotiepe en zich herhalende motorische manieerismen (bijvoorbeeld
fladderen of draaien met de hand of vingers of complexe bewegingen met
het
hele lichaam)
4) aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen
C. De stoornis veroorzaakt in
significante mate beperkingen in het sociaal of beroepsmatig
functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen
D. Er is geen significante
algemene achterstand in taalontwikkeling (bijvoorbeeld het gebruik van
enkele woorden op de leeftijd van twee jaar, communicatieve zinnen op de
leeftijd van drie jaar.
E. Er is geen significante
achterstand in de cognitieve ontwikkeling of in de ontwikkeling van bij
de leeftijd passende vaardigheden om zichzelf te helpen, gedragsmatig
aan te passen (anders dan binnen sociale interacties) en
nieuwsgierigheid over de omgeving
F. Er is niet voldaan aan de
criteria van een andere specifieke pervasieve
ontwikkelingsstoornis of schizofrenie.
HOME (www.orthopedagogiek.com)