WISC-III-NL | Wechsler Intelligence Scale for Children-III
D. Wechsler. Nederlandse bewerking: W. Kort, M. Schittekatte, M. Bosmans, E.L. Compaan, P.H. Dekker, G. Vermeir & P. Verhaeghe
• De Wechsler IQ test voor kinderen
van 6-17 jaar
• Normen voor het gehele Nederlandse taalgebied
• Herziene handleiding 2005
Doel
Het bepalen van de algemene intelligentie.
Doelgroep
De test is bedoeld voor kinderen van 6 t/m 16 jaar.
De WISC-III-NL is een bewerking van de Engelstalige WISC-III (1992), de tweede herziening van de Wechsler Intelligence Scale for Children (1949). De WISC-III-NL omvat 13 subtests, gegroepeerd als Verbale en Performale subtests. Eén subtest is aanvullend is en twee subtests zijn optioneel. 1. Onvolledige Tekeningen, 2. Informatie, 3. Substitutie, 4. Overeenkomsten, 5. Plaatjes Ordenen, 6. Rekenen, 7. Blokpatronen, 8. Woordkennis, 9. Figuur Leggen, 10. Begrijpen, 11. Symbolen Vergelijken (optionele subtest), 12. Cijferreeksen (aanvullende subtest) en 13. Doolhoven (optionele subtest). De Verbale en Performale subtests worden afwisselend aangeboden om de aandacht van het kind tijdens de testafname zo goed mogelijk vast te houden.
Normering
De normen van de WISC-III-NL zijn gebaseerd op een
representatieve steekproef van 1239 kinderen uit Vlaanderen
en Nederland, verdeeld over elf leeftijdsgroepen. De
verhouding Vlaamse en Nederlandse kinderen is naar rato van
de bevolkings-omvang. In de steekproef is rekening gehouden
met geslacht, opleidingsniveau, culturele achtergrond,
regionale herkomst en bevolkingsdichtheid.
Afname
omschrijving
De test wordt individueel afgenomen en geschiedt volgens de
pen-en-papiermethode als ook met het computerprogramma STM.
Afname
Pen en papier, STM
Scoring
De test leidt tot drie IQ scores en drie factorscores. De IQ
scores zijn: De factorscores zijn: 1. Totaal IQ 1. Verbaal
begrip 2. Verbaal IQ 2. Perceptuele Organisatie 3.
Performaal IQ 3. Verwerkingssnelheid
Eisen aan de
gebruikers
De gebruikers dienen aan kwalificatieniveau B te voldoen.
COTAN-beoordeling
Gegeven de beoordelingscriteria van de COTAN is de WISC-III
NL, op één punt na, voldoende tot goed bevonden: I.
Uitgangspunten bij de testconstructie: goed, IIa. Kwaliteit
van het testmateriaal: goed, IIb. Kwaliteit van de
handleiding: goed, III. Normen: voldoende, IV.
Betrouwbaarheid: voldoende, Va. Begripsvaliditeit: voldoende,
Vb. Criteriumvaliditeit: onvoldoende, NB. Er is een start
gemaakt met onderzoek voor de criteriumvaliditeit, maar
vooralsnog zijn hiervoor nog onvoldoende gegevens
beschikbaar. Zodra deze gegevens beschikbaar zijn zullen wij
deze bekend maken via onze website (Bron
www.pearson-nl.com)
|
subtest
|
beschrijving
|
|
1.
Onvolledige tekeningen
|
De subtest
Onvolledige Tekeningen bestaat uit 30 opgaven
die oplopend zijn in moeilijkheidsgraad. Bij
elke opgave wordt er een plaatje getoond, maar
bij elk plaatje ontbreekt er iets. Het kind moet
het ontbrekende kenmerk kunnen benoemen of
aanwijzen.
|
|
2.
Informatie
|
De subtest
Informatie bestaat uit 31 opgaven waarbij vragen,
die steeds moeilijker worden, mondeling en
zonder tijdslimiet moeten worden beantwoord.
|
|
3.
Substitutie
|
Bij de
subtest Substitutie gaat het er om dat het kind
symbolen natekent die gekoppeld zijn aan
geometrische symbolen (6-7 jaar), of aan
getallen (vanaf 8 jaar). Het is de bedoeling om
binnen 2 minuten zoveel mogelijk symbolen na te
tekenen.
|
|
4.
Overeenkomsten
|
De subtest
Overeenkomsten bestaat uit 21 opgaven waarbij
telkens de overeenkomst tussen twee begrippen
moet worden aangegeven.
|
|
5.
Plaatjes ordenen
|
Deze
subtest bestaat uit 14 opgaven, waarin een
aantal plaatjes binnen 45 of 60 seconden in een
goede volgorde moet worden gelegd.
|
|
6.
Rekenen
|
De subtest
Rekenen bestaat uit 26 rekenopgaven, die steeds
moeilijker worden. De rekenopgaven moeten,
afhankelijk van de moeilijkheidsgraad, worden
beantwoord binnen 30, 45 of 75 seconden.
|
|
7.
Blokpatronen
|
Deze
subtest bestaat uit 12 vragen in oplopende
moeilijkheidsgraad. Een aangeboden patroon moet
worden nagemaakt binnen 30 tot 120 seconden.
|
|
8.
Woordkennis
|
De subtest
Woordkennis bevat 35 opgaven, oplopend in
moeilijkheidsgraad. In elke opgave wordt er een
woord gegeven. Hierin moet het kind de betekenis
van het woord aangeven.
|
|
9.
Figuur leggen
|
Bij deze
test moeten puzzelstukjes tot een figuur worden
samengevoegd binnen 120 tot 180 seconden.
|
|
10. Begrijpen
|
Er worden
vragen mondeling gesteld. Uit het antwoord van
het kind blijkt of hij of zij alledaagse
problemen weet op te lossen en of het kind
begrip heeft van sociale regels en begrippen.
|
|
11. Symbolen
vergelijken
|
De subtest
symbolen vergelijken bestaat uit 2 keer 45
opgaven waarbij het kind binnen 120 seconden
moet nagaan of een bepaald symbool voorkomt in
een groep van 4 aangeboden symbolen (6-7 jaar)
of in een groep van 5 symbolen (vanaf 8 jaar).
|
|
12. Cijferreeksen
|
De subtest
Cijferreeksen bestaat uit 15 opgaven. Iedere
opgave is een reeks van cijfers die het kind
moet nazeggen. In de eerste 8 opgaven moet het
kind de cijferreeks in de opgenoemde volgorde
nazeggen. In de daarop volgende 7 opgaven moet
het kind de cijferreeksen in omgekeerde volgorde
nazeggen
|
|
13. Doolhoven
|
Deze
subtest heeft 10 items, oplopend in
moeilijkheidsgraad. Het kind moet hierbij met
een potlood de weg van de ingang naar de uitgang
van het doolhof aangeven binnen 30 tot 150
seconden.
|
