|
website for educationalists and psychologists & Site Internet de psychopédagogie
andere
websites:
www.kinderverhaaltje.nl &
www.dayrhythmcards.com
Informatieve website
orthopedagogiek:
www.orthopedagogiek.info &
Informatie
test aanvraag
|
|
| ADHD diagnose bij kleuters Het letterwoord ADHD staat voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder, wat betekent een stoornis van de aandacht gepaard gaande met hyperactiviteit. Het stellen van een juiste diagnose is vaak een complex probleem. Op het eerste zicht lijkt de stoornis goed herkenbaar: de symptomen en criteria zijn eenvoudig te beschrijven. Wanneer men echter wat dieper gaat graven stelt men vast dat eenduidigheid over een ADHD-diagnose ver te zoeken is, en de grens tussen de stoornis en het normaal gedrag moeilijk te trekken is. Een eerste probleem is dat kinderen waarbij ADHD vermoed wordt, een grote verscheidenheid van probleemgedrag vertonen. Zo merkt men dat ouders, leerkrachten en andere opvoeders onder de noemer van 'concentratiemoeilijkheden' de meest uiteenlopende houdingen bij kinderen beschrijven. Men past dit begrip toe zowel op kinderen die dromerig en traag hun huiswerk maken, als op kinderen die voortdurend uitvluchten verzinnen om het huiswerk uit te stellen of niet te maken, op kinderen die gemakkelijk afgeleid worden door om het even wat en op kinderen die veel fouten maken omdat ze onvoldoende geconcentreerd lijken. 'Hyperactief', 'concentratiegestoord' en 'impulsief', de kernsymptomen van het ADHD-concept worden van persoon tot persoon verschillend ingevuld. Er is onvoldoende duidelijkheid wat eigenlijk onder deze termen dient verstaan te worden. Verschillende benaderingenEen tweede probleem bestaat uit de uiteenlopende meningen wanneer meer dan één persoon de symptomen beschrijven. De mening van leerkrachten zal vaak verschillen van die van de ouders. Wel vindt men een redelijke overeenkomst wanneer meerdere leerkrachten het kind in een zelfde klassituatie beoordelen, of ook tussen de vaststellingen van b.v. de vader en de moeder.De redenen voor dergelijke uiteenlopende meningen kunnen veelvuldig zijn. Kinderen kunnen zich wel degelijk verschillend gedragen op school of thuis, terwijl zij in verschillende situaties ook aan verschillende eisen moeten voldoen. Verder kunnen verschillende observatoren andere normen hanteren voor gedragingen zoals 'concentratiestoornissen', omdat die perceptie ingekleurd wordt door de eigen ervaringen en de relatie met het kind, die meestal een hele geschiedenis achter de rug hebben. In de meest recente versie van het richtinggevend handboek DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) wordt de diagnose van ADHD enkel toegekend wanneer het afwijkend gedrag vanuit verschillende invalshoeken wordt vastgesteld. De zaak wordt nog ingewikkelder omwille van het hardnekkig dispuut tussen specialisten. De enen betogen dat concentratiestoornis kan optreden zonder overactiviteit, de anderen verwerpen dit standpunt. De meest recente DSM-classificatie onderscheidt drie subtypes: * overactiviteit-impulsiviteit zonder concentratiestoornissen; * concentratiestoornissen zonder overactiviteit; * een gemengd overactief-impulsief-concentratiegestoord type. Ook bestaat er onenigheid inzake het gebruik van tests, alhoewel in de meeste diagnostische centra ijverig gebruik wordt gemaakt van allerhande testmateriaal om de ADHD-diagnose kracht bij te zetten. Het is zeker niet overdreven om te stellen dat menig kind in dit land een correcte ADHD-diagnose ontloopt omdat het goed presteerde op een Bourdon-Vos-test. (Dit is een psychologische test waarbij door middel van het aanstrepen van groepjes van stippen nagegaan wordt hoe het gesteld is met de aandacht en het oefeningsvermogen, snelheid van denken en handelen en het optreden van geestelijke vermoeidheid). Anderzijds kan bij een slechte score bij deze test iemand ten onrechte de ADHD-diagnose krijgen, met als gevolg dat hij gedurende vele jaren verkeerd behandeld wordt met stimulantia. Tenslotte bestaat er grote onzekerheid over de graad van storend gedrag om tot de ADHD-diagnose te kunnen besluiten: er wordt wel een aantal symptomen gehanteerd als criterium, maar het is niet duidelijk in welke mate ieder gedrag afzonderlijk moet voorkomen. Correct onderzoek is nodigDe diagnostiek van ADHD berust alleen op observeerbaar gedrag, niet op een verwijzing naar cognitieve processen.* Overactiviteit verwijst naar een teveel aan bewegingen, zowel kleine onrustige bewegingen van een deel van een lidmaat zoals wriemelen, prullen en prutsen, als bewegingen van hele ledematen en van het hele lichaam. * Onaandachtig gedrag manifesteert zich als een tekort aan aangehouden taakgerichtheid tijdens langdurige opdrachten, waarbij kinderen gemakkelijk afgeleid worden en zij snel overgaan van één (onafgewerkte) activiteit naar een andere. Dit verschilt van de apathische houding van kinderen en eveneens van de eerder nerveuze, opgejaagde afleidbaarheid van angstige, onzekere kinderen, types van gedragsstoornis die niet thuis horen in de meest recente criteria van ADHD volgens DSM. Onderzoek naar die symptomen moet gebeuren in omstandigheden waarin dit gedrag zich kan tonen. ADHD-gedrag kan moeilijk vastgesteld worden in situaties waarin erg strikte controle uitgeoefend wordt op het gedrag van het kind, in situaties die volledig vreemd en nieuw zijn, of nog wanneer gewerkt wordt met een erg aantrekkelijke, interessante activiteit. Het overactieve, onaandachtige en impulsieve gedrag zal zich het meest tonen in omstandigheden die een aangehouden aandacht en mentale inspanning vereisen en die weinig aantrekkelijk, nieuw of belonend zijn, of ook in omstandigheden waarin het kind verwacht wordt rustig te zijn, zonder dat er veel toezicht of verstrooiing is. Het gaat er dus om het juiste gedrag in de juiste context te bevragen of te observeren. Het inschatten van de ernstgradatie van het ADHD-gedrag kan gebeuren via gestandaardiseerde gedragsvragenlijsten, waarop uitgezet wordt hoever een kind afwijkt van de gemiddelde norm voor zijn/haar leeftijd. Daarnaast dient er ook een klinische evaluatie te gebeuren van de weerslag van de symptomen op het dagelijks functioneren en de ontwikkeling van het kind. Er zijn geen laboratoriumtests die bruikbaar zijn in de klinische diagnostiek van ADHD. Een testsessie kan niettemin een rijkdom aan informatie leveren, omdat het kind kan geobserveerd worden in een situatie waarin het ADHD-gedrag het meest waarschijnlijk zal tot uiting komen. Ook biedt de analyse van cognitieve sterke en zwakke punten en van de cognitieve denkstijl van het kind veel aanknopingspunten om verbanden te leggen tussen gedrag en leerprestaties. ADHD bij kleuters en bij adolescentenHet begin van de symptomen bij ADHD-kinderen wordt volgens de ouders vastgesteld op gemiddeld 3,7 jaar. Onder de leeftijd voor de lagere school bestaat er nog een hoge drempel voor het stellen van een ADHD-diagnose.Enerzijds worden typische ADHD-gedragingen gevonden bij een groot aantal normale kleuters gedurende een veranderlijke tijd van hun ontwikkeling, zonder dat ze een blijvend patroon vormen. Daarenboven worden aan kleuters nog veel minder eisen gesteld m.b.t. bewegingscontrole en volgehouden aandacht, zodat het leerproces hierover nog volop bezig is. Anderzijds is het jammer dat kleuters met een herkenbaar en blijvend ADHD-gedrag niet kunnen geïdentificeerd worden op jonge leeftijd, omdat de dynamieken die ernstige gedragsproblemen veroorzaken voor een groot deel plaats vinden vóór de leeftijd van 6 jaar. De DSM-criteria voor ADHD zijn ook minder geschikt voor bevraging bij pubers en adolescenten. Toch kan met enige fantasie elk van de symptomen vertaald worden naar de eigen leefwereld van deze jongeren. Een eerste voorwaarde voor het stellen van een diagnose is uiteraard dat het ADHD-complex reeds aanwezig was vanaf de lagere-schoolleeftijd en niet als nieuwe klacht wordt geformuleerd op latere leeftijd. Een andere stelregel is dat de jongere zelf niet bij machte is om de aard en de ernst van zijn symptomen in te schatten. Bij het opgroeien blijft het ADHD-beeld aanwezig bij 40 tot 70% adolescenten en jonge volwassenen. Eén enkele studie maakt gewag van persistentie bij 10% oudere volwassenen. BesluitAls algemeen besluit kan men stellen dat er voor de diagnose van ADHD niet echt operationele richtlijnen bestaan, maar dat er een gedegen kennis is vereist van de gehanteerde begrippen en de te observeren en te bevragen gedragingen. Enkel via het correct hanteren van het begrippenkader kunnen misvattingen omtrent het concept worden vermeden.Bron: auteur: Marina Danckaerts Aanbevolen link: http://www.uzleuven.be/diensten/kindergeneeskunde/patient/ADHD/ |
Copyright © 1998 www.orthopedagogiek.com te 's-Hertogenbosch NL
|