Vormen van agressie
De geëxternaliseerde vorm van
agressie
- Gezonde agressie betekent een kind
agressie pleegt tegen de bron van frustratie in verhouding
van hetgeen wat er gebeurd is. (slaan-terug slaan)
- Overmatige reactie. Opkroppen,
waarna een explosie volgt. Vaak is een kind dan een gevaar
voor zichzelf (driftbui, door het dolle heen zijn)
- Indirecte agressie, maar wel tegen
de bron. De bron is dan te machtig om direct agressie tegen
te plegen. (strenge leerkracht, hoesten als het stil moet
zijn)
- Verplaatsing van agressie. De bron
van frustratie is te machtig of anoniem, waarna de agressie
zich verplaatst op anderen. (thuis lastig, terwijl het op
school moeilijkheden heeft of omgekeerd)
- Verplaatsing naar
objecten.(spullen kapot maken van anderen of van jezelf)
De geïnternaliseerde vorm van agressie
- Agressie verplaatst naar zichzelf.
Agressie bevorderende factoren:
- Autoritaire omgeving. (geen
overleg situaties)
- Klimatologische omstandigheden.
(hitte)
- Lawaai
- Populatiedichtheid
- Statusverlies
- Verhoogd activeringsniveau (na
drank, drugs, seksuele opwinding)
Interculturele invloeden
- Harde disciplinerings praktijken
- Gebrek aan warmte
- Aanwezigheid van agressieve
modellen (buurtruzies e.d.)
- Waardering voor agressie
(opvatting: sla er maar op)
- Invloed van stressoren.
- Sociaal isolement.
- Onstabiele groep van
leeftijdsgenoten.
- Gebrek aan cognitie stimulatie.
De diepere oorzaak van agressieve
stoornissen is er niet bij te horen.
Geëxternaliseerde agressie
Dit
betekent dat de agressie gericht is op de buitenwereld.
Het
verzet is daarbij het belangrijkste kenmerk
Voorbeelden: Agressie gericht op mensen en dieren zoals:
moord, overvallen, dwingen tot seksueel contact, vandalisme,
uitschelden, vernederen, brandstichten, stelen, woede
uitbarsting, pesten en anti-sociaal gedrag.
Overige vormen die ook vallen onder agressief gedrag zijn:
orde verstoren in de klas en keihard liegen.
- Aanleg en gedragskenmerken
- Er is dus sprake van een
biologische aanleg.
- factoren die van belang
zijn:
- De rijping van het centrale
zenuwstelsel, vanaf de foetustijd.
- Een verhoogde productie
van androgene hormonen (testosteron)
- Temperament
-
- Omgeving
- Zelfbeeld
- Morele ontwikkeling
- Gezinssituatie
- Andere relaties met de
buitenwereld
-
- Interactie tussen aanleg
en omgeving
- Aanleg en omgeving werken negatief
op elkaar in
Wat kunnen we doen als we dit
signaleren?
STAP
1. Het gedrag in
beeld brengen.
Zeer
nauwkeurig de situatie observeren waarin dit gedrag zich
voordoet.
Frequentie: Hoe vaak komt dit gedrag voor.
Duur:
Hoe lang duurt het niet gewenste gedrag.
Omvang: Hoe ernstig schat u het probleem in.
Wat
ging er aan het gedrag vooraf.
Wat
is het gevolg (winst en verlies) voor het kind en de
omgeving.
De oplossingskeuze bepalen.
A.
Zelf oplossen:
Komen
tot gezamenlijk inzicht in het gedrag.
Gedragsafspraken maken en het kind er aan houden, zelf het
goede voorbeeld geven, consequent het goede gedrag belonen
en het verkeerde gedrag negeren of bestraffen. Kijken in
hoeverre het gevolg van de agressieve daad en de situatie
eromheen van invloed is op het voortduren van het gedrag.
Dit met het kind bespreekbaar maken.
B.
Hulp van buitenaf:
Kiezen voor begeleiding zoals orthopedagoog, psycholoog,
maatschappelijk werk, schoolbegeleiding, arts,
kinderpsychiater.
Bekende test: NPVJ en SVL en diverse vragenlijsten, af te
nemen door een deskundige.
Vragen ten behoeve van
de diagnostiek van de geëxternaliseerde gedragsstoornis
- Zijn de criteria van de DSM IV van
toepassing.
- Is het gedrag al sinds de vroegste
jeugd aanwezig.
- Is er sprake van en gebrekkige
ik-ander differentiatie. (maakt hij verschil tussen de
belangen van de ander en zichzelf)
- Is het kind in staat tot empathie.
(medegevoel)
- Heeft het kind behoefte om met
andere kinderen te spelen of te werken.
- Is het kind in staat tot
zelfreflexie. (nadenken of de eigen situatie)
- Heeft het kind weinig angst
tijdens zijn activiteiten. (neemt het onverantwoordelijke
risico's)
- Is het kind structureel- of
situatie gebonden agressief.
- Heeft het kind een lage frustratie
tolerantie. (reageren op tegenslag)
- Is er sprake van sterke
bewustzijnsschommelingen.
- Op welke wijze liegt het kind.
- Zijn er omstandigheden die het
gedrag van het kind zouden kunnen verklaren.
Denkt het kind irrationeel.
- Het stellen van dwingende eisen
t.a.v. zichzelf of anderen.
- Rampdenken. (situaties als
verschrikkelijk beoordelen)
- Niet kunnen omgaan met tegenslag.
- Je waarde als mens niet op de
juiste wijze kunnen inschatten. (zelfoverschatting)
Vragen ten behoeve van
de diagnostiek van de geëxternaliseerde gedragsproblemen
- Is er sprake van een specifiek
moment waarop het problematisch gedrag een aanvang nam.
- In welke situaties vindt het
gedrag plaats.
- In welke situaties vindt het
gedrag niet plaats.
- Is het bekend of het kind
traumatische ervaringen heeft ondergaan.
- Heeft het kind een echtscheiding
van zijn/haar ouders meegemaakt.
- Hoe zijn de pedagogische
kwaliteiten van de ouders te omschrijven.
- Hoe is de hechting van het kind.
- Hoe is de mate van autonomie van
het kind. (zelfstandigheid)
- Is het gedrag beperkt tot de
periode van de puberteit.
- Hoe is de relatie van het kind met
zijn/haar ouders.
- Wat is de opvoedingsstijl van het
gezin.
- Vertonen andere kinderen in het
gezin problemen.
- Zijn er problemen geconstateerd
binnen de vriendenkring, buurt of school.
De theorieën achter agressie
Freud:
aangeboren drift. Sexuele drift zou opbouwend zijn en
agressie is destructief. Ontlading geeft een gevoel van
opluchting. In onze samenleving wordt dit beperkt
toegestaan. Sublimering is nodig.
Frustratie-agressie hypothese: Frustratie kan tot agressie
voeren. Frustratie voorkomen betekent dus ook het voorkomen
van agressie.
De
sociale leertheorie: Agressief gedrag is aangeleerd gedrag
dat beloond wordt en daardoor vaker optreedt.
De
sociaal-cognitieve benadering: De uitleg van de persoon zelf
over de situatie leidt tot agressief gedrag. (de R.E.T.
methode)
Deze
theorieën leiden allen tot een andere benadering van
bovenstaande problematiek
|
 |
Waarom doet
mijn kind zo moeilijk Peter Prinzie
Moeilijk
gedrag begrijpen, efficiënt straffen en belonen.
Uitgeverij Lannoo ISBN 90-209-5530-6 |
HOME (www.orthopedagogiek.com) |