|

_asperger.htm_cmp_compass010_vbtn.gif)
_pdd-nos_dsmiv1.htm_cmp_compass010_vbtn.gif)
| |
Asperger
DSM-IV criteria van
Asperger:
Stoornis van Asperger:
A. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie, zoals
blijkt uit ten
minste twee van de volgende:
1) duidelijke
stoornissen in het gebruik van veelvoudig nonverbaal gedrag
zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshoudingen en
gebaren om de
sociale interactie te bepalen
2) er niet in slagen met leeftijdgenoten tot bij het
ontwikkelingsniveau
passende relaties te komen
3) tekort in het spontaan proberen met anderen plezier,
bezigheden of
prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien,
brengen of aanwijzen
van voorwerpen die van betekenis zijn)
4) afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid
B. Beperkte, zich
herhalende en stereotiepe patronen van gedrag,
belangstelling en activiteiten, zoals blijkt uit ten minste een
van de
volgende:
1) sterke
preoccupatie met een of meer stereotiepe en beperkte
patronen van
belangstelling die abnormaal is in ofwel intensiteit of
aandachtspunt
2) duidelijk rigide vastzitten aan specifieke
niet-functionele routines of
rituelen
3) stereotiepe en zich herhalende motorische manieerismen (bijvoorbeeld
fladderen of draaien met de hand of vingers of complexe
bewegingen met het
hele lichaam)
4) aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen
C. De stoornis
veroorzaakt in significante mate beperkingen in het sociaal
of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere
belangrijke
terreinen
D. Er is geen significante algemene achterstand in
taalontwikkeling
(bijvoorbeeld het gebruik van enkele woorden op de leeftijd van
twee jaar,
communicatieve zinnen op de leeftijd van drie jaar.
E. Er is geen significante achterstand in de cognitieve
ontwikkeling of in
de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden om
zichzelf te
helpen, gedragsmatig aan te passen (anders dan binnen sociale
interacties)
en nieuwsgierigheid over de omgeving
F. Er is niet voldaan aan de criteria van een andere specifieke
pervasieve ontwikkelingsstoornis of schizofrenie
Het
Asperger Syndroom
Het Asperger Syndroom is een
aan autisme aanverwante stoornis, welke voor het eerst in 1944 door Hans
Asperger, een Oostenrijkse pediater is beschreven.
Dr. Hans Asperger was hoogleraar en pediater aan de Universiteit van Wenen
en leidde daar een afdeling voor "Heilpädagogiek". Hier kreeg hij
kinderen te behandelen die moeilijk waren in de opvoeding. Vaak kwamen deze bij
hem toen zij ongeveer 7 tot 12 jaar oud waren en werden verwezen door de
huisarts of leraren, soms door radeloze ouders zelf.
In zijn proefschrift Die Autistischen Psychopathen im Kindesalter (Asperger,
1944) beschreef hij een groep kinderen, die hem in het bijzonder opvielen.
- Zij toonden ernstige tekorten in socialisatie,
voorstellingsvermogen en bovenal communicatie.
- Hun taalgebruik was meestal wel grammaticaal correct,
maar het deed vaak vreemd aan; soms wat pedant of maniëristisch.
- Een goed gevoel voor grapjes hadden deze kinderen
nauwelijks, alleen als ze vaak herhaald werden wisten ze dat het een grap
moest zijn.
- Balsporten, fietsen, de veters strikken en netjes
eten waren vaardigheden die zij slechts moeizaam of niet verwierven.
- In hun communicatief gebruik van de taal ging steeds
iets mis, net steeds niet sociaal adequaat. Alsof ze net een andere taal
spraken.
- Aan de andere kant vond Asperger bij deze jongens
(meestal jongens) uitzonderlijke gaven, die boven hun gemiddelde
capaciteiten ver uitgingen. Sommigen wisten alles over kikkers, anderen
kenden het tramnet van Wenen uit hun hoofd. Maar: deze feiten hadden in
wezen geen zinvolle relatie met het leven; ze waren als los zand.
Asperger beschreef zijn
syndroom ongeveer tegelijkertijd dat Kanner in Amerika over autisme schreef.
Jarenlang zijn de publikaties van Asperger onopgemerkt gebleven. Het is te
danken aan een nederlandse auteur, van Krevelen, dat het syndroom in de jaren
zestig onder de aandacht van het angelsaksische publiek werd gebracht (van
Krevelen & Kuipers, 1962; van Krevelen, 1963). Desondanks heeft
het vijftien jaar geduurd voordat de stoornis werkelijk in de belangstelling
kwam, dit na een artikel van Lorna Wing (1981). Een en ander heeft uiteindelijk
geleid tot opname in de DSM-IV.
Sedert de opname in de DSM-IV is de vraag of het syndroom van Asperger nu iets
anders is dan high
functioning autisme zeer actueel. Veel auteurs, waaronder Lorna Wing, menen
dat de twee eigenlijk synoniem zijn. Pas de laatste tijd zijn er aanwijzingen,
dat er ook neurobiologische verschillen te vinden zijn en dat de hypothese dat
het Syndroom van Asperger opgevat moet worden als alleen maar een milde vorm van
autisme niet meer houdbaar is (Jessurun, 1997).
|