|
Auditieve analyse |
De leerling moet vaststellen uit welke fonemen ( klanken) een woord
is opgebouwd
|
|
ADHD
Attention deficit / hyperactivity disorder |
Een syndroomdiagnose waarbij de volgende kenmerken
centraal staan:
Overactiviteit ( het bewegingspatroon is erg druk, bruusk, bruut)
Aandachtstekort het kind kan zich niet richten op een opdracht.
Men is vergeetachtig
Men heeft moeite met organiseren van de informatieverwerking
Impulsiviteit in denken en doen
|
|
Afasie
(dysfasie) |
Een vermindering of verlies van het vermogen zich uit te drukken
door middel van spraak, schrift of tekens dan wel de gesproken of
geschreven taal te begrijpen als gevolg van een beschadiging van het
centrale zenuwstelsel
|
|
Apraxie
(dyspraxie) |
Een ontwikkelingsstoornis in de uitvoering van complexe en
doelgerichte bewegingen met het lichaam en / of bepaalde
lichaamsdelen, waardoor een onvermogen bestaat om doelbewust de
handeling uit te voeren
|
|
Assimilatie |
(Piaget) Het aanpassingsproces van het organisme aan nieuwe
situaties en
problemen omschrijven
|
|
Associatie |
Het leggen van verbanden met eerder geleerde
kennis, situaties, gebeurtenissen
|
|
Auditief |
Met betrekking tot het gehoor
|
|
Auditieve
Voorwaarden |
De mogelijkheden die een leerling heeft om informatie die gehoord
wordt op een bepaalde wijze te verwerken.
Onderzocht worden vaak de auditieve analyse ( klanken
kunnen onderscheiden), de auditieve discriminatie
(klanken op hun verschillen kunnen onderscheiden
wanneer deze dichterbij elkaar liggen) en de auditieve
synthese ( klanken kunnen koppelen aan elkaar).
De auditieve voorwaarden zijn belangrijk voor het
aanvankelijk lezen en voor spelling.
|
|
Auditieve discriminatie |
Het onderscheiden van spraakklanken
|
|
Auditieve synthese |
Het samenvoegen van afzonderlijke klanken tot een woord
|
|
Begaafdheid |
Intellectuele waardering volgens
Intelligentiequotiënt: bron:
Rakit
handleiding.
|
Hoger dan 130
|
Zeer begaafd
|
2,3 %
|
|
121-130
|
Begaafd
|
6,7 %
|
|
111-120
|
Hoog normaal/boven gemiddeld
|
16,1 %
|
|
90-110
|
gemiddeld
|
50 %
|
|
80-89
|
Beneden gemiddeld
|
16,1 %
|
|
70-79
|
moeilijk lerend
|
6,7 %
|
|
< 70
|
Verstandelijk beperkt
|
2,2 %
|
|
|
Bilateraal |
Tweezijdig
|
|
Binoculair zien |
Diepte zien ( tweeogig zien)
|
|
Ccompensatie |
Aanvulling van een tekort
|
|
Cerebraal |
Met betrekking tot de hersenen
|
|
Cognitie |
Betrekking hebben op het kenproces
|
|
Co-morbiditeit |
Het samengaan van twee of meer aandoeningen.
(bijvoorbeeld ADHD en dyslexie)
|
|
Compenseren |
De vervanging van de normaal gebruikelijke taak of uitvoeringsvorm
door een gelijkwaardige taal en een gelijkwaardige uitvoeringsvorm
|
|
Conduct disorder
(CD)
|
Deze kinderen vertonen vaak grensoverschrijvend gedrag
(moeite met regels, vaak agressief)
|
|
Coördinatie |
Onderlinge afstemming en samenwerking van orgaanfuncties
|
|
Diagnosticeren |
Lokaliseren van leer- spellingsproblemen en het opsporen van de aard
van het probleem
|
|
Diagnostiek |
Het vaststellen van de aard, oorzaak en toestand van een
Stoornis met daartoe ontworpen hulpmiddelen
|
|
Didactische leeftijd DL en DLE |
Het aantal maanden dat een leerling onderwijs heeft genoten.
DLE
Abstract: Didactische Leeftijdsequivalent
Tekst: Een dl (didactische leeftijd) geeft aan hoeveel
maanden een kind onderwijs heeft gehad. Een schooljaar telt 10
maanden. Bij het begin van groep 3 wordt gestart met tellen. Voor
groep 1 en 2 wordt teruggeteld. '
Een dl (didactische leeftijd)
geeft aan hoeveel maanden een kind onderwijs heeft gehad. Een
schooljaar telt 10 maanden. Bij het begin van groep 3 wordt gestart
met tellen. Voor groep 1 en 2 wordt teruggeteld.
De dle geeft aan na hoeveel
maanden gemiddeld een bepaalde score voor een toets of test wordt
gehaald.
Het verschil tussen dle en dl
geeft dus de achterstand van een kind weer (of de mate waarin het
sneller gaat dan de rest van de groep).
dle gedeeld door dl geeft het
leerrendement aan. Stel dat een kind een dl heeft van 10 en een
score op een test haalt die past bij een dle van 5, dan is het
leerrendement 5:10 = 50%
|
|
Differentiatie |
Te onderscheiden verfijnde ontwikkeling van een deel van het
organisme
|
|
Discrepantie |
Onderlinge afwijking tussen twee eenheden
Een statistisch te berekenen verschil tussen het niveau van de
intelligentie enerzijds en de procesaspecten van lezen, spelling en/
of rekenen anderzijds. Als en sprake is van een discrepantie (
onderlinge afwijking) dan kunnen
wij zakelijk spreken van een leerstoornis. Is deze
discrepantie er niet, dan is een leermoeilijkheid
|
|
Dominantie |
Overheersing van d werking van een der beide hersenhelften
|
|
Dyscalculie |
Een stoornis op het gebied van rekenen, rekenzwakte
|
|
Dysharmonisch intelligentieprofiel |
De seriële informatieverwerking ( Verbale Intelligentie) is relatief
zwak t.o.v. de simultane informatieverwerking ( Performale
Intelligentie)
|
|
Dyslexie |
Een stoornis op het gebied van lezen en/ of de spelling en / of
taal. Er zijn verschillende subtypen van dyslexie, wat van belang is
voor het behandeladvies.
Dyslexie is een stoornis bij het leren lezen en spellen
|
|
Dysorthografie |
Een stoornis die zich beperkt tot de schriftelijke verwerking van
taal. De dysorthografie is een onderdeel van dyslexie
|
|
Edukinesiologische oefeningen |
Oefeningen ter stimulering van de samenwerking van beide
hersenhelften
|
|
Empirisch |
Berustend op waarneming en ervaring
|
|
Exploreren |
Onderzoeken verkennen
|
|
Faalangst |
Angst om te falen
Positieve faalangst: men functioneert optimaal
Negatieve faalangst: men disfunctioneert
|
|
Faciliteren |
Vergemakkelijken, bevorderen
|
|
Fonologie |
Taalwetenschap die zich bezighoudt met de klanken als
betekenisdragers
|
|
Fonologische kennis |
Men weet uit welke afzonderlijke klanken een woord is samengesteld.
Dit maakt het mogelijk om een uitgesproken woord in afzonderlijke
letters te ontleden en in de juiste volgorde op te schrijven.
|
|
Geheugen |
Je hebt lange termijn en korte termijn geheugen ( werkgeheugen)
Bij lezen en spellen spelen auditief korte termijn geheugen en het
visuele korte termijn geheugen een belangrijke rol
Het sequentieel geheugen zegt iets over het vasthouden van een
volgorde en is van invloed op het lezen, rekenen, spelling en taal
|
|
Genetisch |
Erfelijk
|
|
Grafofonische invullingen |
Een leerling schrijft wat hij denkt te horen
|
|
Hemisfeer |
Hersenhelft
|
|
Infereren |
De lezer maakt gevolgtrekkingen over de betekenis van bepaalde
woorden n de context van het verhaal
(bijv. leest straat i.p.v. laan)
|
|
Inner speech
(innerlijke spraak)
|
Het proces van het omzetten van ervaringen in symbolen met het
gebruik van lipbewegingen
|
|
Intelligentie |
Basiscapaciteit betreffende de aanpassing aan nieuwe problemen. Het
is een gegeven dat dit een indicatie is voor het niveau van
leerbaarheid. De intelligentie wordt in het onderzoek met
verschillende tests onderzocht. De gemiddelde score op de Wisc-RN is
100 het gemiddelde niveau van de standaardscores bedraagt 10
|
|
Interferentie |
Wanneer bij informatieverwerking processen op elkaar gaan storen,
spreken we van interferenties. Er kunnen daardoor fouten ontstaan
die het beeld geven van concentratieproblemen of slordigheid maar
dit in feite niet zijn.
|
|
Interhemisferaal |
Wat er zich tussen twee hersenhelften afspeelt
|
|
Interioriseren |
Verinnerlijken
|
|
Intrahemisferaal |
Wat er zich binnen een hersenhelft afspeelt
|
|
IQ
intelligentiequotiënt
|
Cijfer ter aanduiding van het IQ
Men gebruikt een test daarna
De verstandelijke leeftijd delen door de kalenderleeftijd
Dit getal vermenigvuldigt met 100
|
|
Lateraliteit |
De voorkeur voor het gebruik van een arm of been van
En van het oog van de andere zijde
Lateraltiteit leidt tot het gebruik van beide lichaamsdelen
|
|
Leerprobleem |
Dit zijn leermoeilijkheden en leerstoornissen. De vaststelling
hiervan is belangrijk voor de aard van de behandeling
|
|
Modale
omzettingen |
De neurologische verwerking van informatie. Bij het lezen wordt de
informatie visueel waargenomen en binnen een circuit wordt er een
betekenis aan gekoppeld. Dit is een intramodale visuele omzetting.
Bij een intermodale omzetting vindt er een koppeling plaats tussen
verscheidene functies
|
|
Morfemen |
Samenstellende delen van een woord. Deze delen worden mede bepaald
door de relatie van het woord met de rest van de zin.
|
|
Motoriek |
Functionele eenheid van spieren en motorische zenuwen waardoor men
kan bewegen
|
|
Myeline
|
Een soort isolatielaag die de axonen van de hersencellen bedekt
|
|
Neurologie |
Wetenschap die zich bezighoudt met het gezonde en zieke zenuwstelsel
|
|
Non verbal learning disability syndrome
( NLD)
|
Een disfunctie in de witte hersenmassa als gevolg waarvan
Kinderen oog- en schrijfmotorische [problemen hebben ( visiospatiele
problemen). Verder hebben ze moeite met ordenen, conceptvorming en
rekenen. Vaak is de lichaamstaal gering
|
|
Observatie |
Het verzamelen van waarnemingen
|
|
Orthodidaktiek |
De leer die methoden van hulpverlening ontwerpt ze systematiseert en
toepasbaar maakt voor de verwerving en overdracht van vaardigheden
en kennis, ten dienste van de behandeling van kinderen met
stoornissen in de ontwikkeling ter versterking van de algemene en
specifieke leervoorwaarden
|
|
Orthografie |
De kunst om volgens de (spelling) regels te schrijven
|
|
Orthopedagogiek |
De wetenschap die zich bezighoudt et besturen van de in de
ontwikkeling belemmerden
|
|
Partieel defect |
Door Bladergroen omschreven als het uitvallen van de ontwikkeling
van een structuurgebied van de intelligentie dat betrekking kan
hebben op waarnemen, het ruimtelijk ordenen, het figuuraal
voorstellen en het verhoudingsdenken, waardoor structuurgebieden,
bijvoorbeeld van taal en denken niet tot ontwikkeling komen
|
|
Perceptie |
Waarneming zoals die actief wordt verwerkt, de waarnemingswijze
|
|
Performale intelligentie |
De nadruk ligt op ruimtelijk inzicht, overzicht, logische volgorde
ook wel praktische intelligentie genoemd
|
|
Perseveratie |
Het blijven kleven aan een bepaald onderwerp, onder meer door het
herhalen van bepaalde bewegingen, gebaren of woorden
|
|
Pervasieve ontwikkelingsstoornis
( PDD –
NOS) |
Pervasive Developmental Disorder
Er is een kwalitatieve tekortkoming in de ontwikkeling van de
sociale vaardigheden, van de verbale en non-verbale communicatieve
vaardigheden
|
|
Prelinguaal |
Voor de periode van taalbezit
|
|
Psychoanalyse
|
Freud methode en theorie over de inhoud en de functie van het
onderbewuste en het onderzoek daarvan,
|
|
Regressie |
Terugval in een vroeger stadium van de ontwikkeling
|
|
Reinforcement |
Maatregelen die een versterkende werking hebben op het gedrag en de
kans op herhaald optreden ervan vergroten.
Positieve reinforcement bijv. beloning
Negatieve reinforcement bijv. straf
|
|
Remedial teaching
|
Onderwijs aan kinderen die om de een of andere reden achter zijn in
hun klas of bijzondere problemen hebben.
Dit onderwijs wordt doorgaans individueel of in een kleine groep
gegeven door een speciaal geschoolde remedial teacher
|
|
Reversibilite |
Piaget: principe van de omkeerbaarheid bij rekenen
5-1=4 4+1=5
|
|
Ruimtelijke oriëntatie |
In relatie met dyslexie
Problemen met spiegelen van letters en van woorden bijvoorbeeld b en
d , kat en tak
|
|
Semantiek |
Leer
van de betekenis van woorden |
|
Sensomotoriek |
Dit is
de afstemming van de waarneming op het bewegen en omgekeerd. Bij het
schrijven van letters en cijfers is dit belangrijk |
|
Sequentieel denken |
Opeenvolging, denken in stapjes |
|
Significant |
Betekenishebbend |
|
Symptomen |
Verschijnselen maniestaties van bepaalde afwijkingen of stoornissen
|
|
Syndroom |
Groep
van verschijnselen of symptomen die samen een ziekte - eenheid of
aandoening vormen. |
|
Synthese |
Samenvoeging, verbinding van afzonderlijke elementen tot een nieuw
geheel |
|
Taal
|
De kwaliteit van de begrippenkaders en het aantal begrippen.
Taal omvat o.a. semantische
(betekenis), syntactische (zinsconstructies en morfologische
(woordvorming) aspecten
|
|
Tactiliteit |
Tastzin, actief en passief verkregen indrukken via de huid
|
|
Temporeel |
Betrekking hebbende op de tijd |
|
Verbale
intelligentie |
De
nadruk ligt op taal, onthouden, feitenkennis |
|
Visueel
geheugen |
Bijzonder geheugen voor gezichtsindrukken |
|
Voorstelling |
Functieniveau tussen waarnemen en abstractie in de voorstelling vindt
een individueel gekleurde neerslag en projectie van de werkelijkheid
plaats |
|
Vormconstantie |
Het
onder elke conditie herkennen van de vorm |
|
Vormherkenning |
Het
herkennen van de vormen van objecten onafhankelijk van hun grootte en
positie |
|
Werkgeheugen |
Het geheugen voor informatie die nog minimale bewerking heeft
ondergaan. Dit geheugen heeft een beperkte opslagcapaciteit van 5
–7- 9 informatie eenheden.
Ook wel korte termijngeheugen genoemd
|
|
Woordbeeld |
Een
goede lezer ziet geen afzonderlijke letters meer maar een figuur
gevormd door een vaste combinatie van letters, die dan als een geheel
wordt waargenomen |
|
Woordblindheid |
Ander
woord voor dyslexie (het niet goed kunnen lezen en spellen van woorden) |
|
Woordvinding
|
Het opzoeken van een woord in het mentale lexicon.
Dit duurt een fractie van een seconde.
Bij dyslectici kost dit iets meer tijd.
Ze komen soms niet op een woord
|