behandeling Autisme

website for educationalists and psychologists & Site Internet de psychopédagogie  

Start Omhoog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Autisme behandeling 

  1. Gestructureerde leeromgeving. De motorische manipulatie is de meest concrete vorm van structuur aanbieden. (Model leren, je leert iets aan naar analogie, dus nadat het is voorgedaan)
  2. Vaste plaats in een gestructureerde leeromgeving.
  3. Belangrijk zijn de volgende aandachtspunten bij het structureren van gedrag: Doelstelling, taakomvang en  tijdsduur van een opdracht duidelijk maken.
  4. Het ABC van het gedrag moet in het oog gehouden worden: ntecedenten (wat aan het gedrag vooraf gaat) Behaviour (het gedrag zelf, zichtbaar en helder gedefinieerd) Consequentie ( de gevolgen van het gedrag voor het kind)
  5. Alle facetten van het gedrag dienen in concrete bewoordingen beschreven te worden. (Boosheid gevoelens kunnen niet weggenomen worden, maar wel kan het gedrag veranderd worden dat met de gevoelens van boosheid samenhangt: schoppen en slaan)
  6. Geschiedenis van het gedrag te weten zien te komen. Is het oud of nieuw gedrag. Vgl.: school-thuis.
  7. Gebruik maken van de sterke kanten om de zwakke kanten te compenseren. Visuele waarneming sterk, taalkant zwak)
  8. Stap voor stap methode: bij een ontwikkelingsgang dient er een logisch stappenplan zichtbaar te zijn. (oorzaak en gevolg)
  9. Hoe meer communicatie des te minder gedragsproblemen.
  • Straffen en belonen

Straffen en belonen: aansluiten bij het belangstellingsniveau van het kind.

  1. Negeren van ongewenst gedrag en onmiddellijk het gewenste gedrag belonen.
  2. Time out: weghalen uit een situatie die belonend is voor het negatieve gedrag.
  3. Nadruk moet vallen op het belonen.

Behandelingsstrategie met betrekking tot autistische kinderen

Praktische tips voor ouders

Bron: NVA
Engagement Special september 1990
NVA startpagina

Voorwoord

"Een autistisch kind is gewoon een kind; geen gewoon kind, maar een gehandicapt kind dat hulp nodig heeft"; aldus Snijders-Oomen (1978).
Twaalf jaar later buigen we ons nog steeds over deze hulp, met name over de juiste vorm van hulp. Autistische kinderen zijn onderling zo verschillend dat er altijd 'hulp op maat' moet zijn. Van een 'receptenboek' is geen sprake. Steeds weer opnieuw wordt er een appèl op ieders inventiviteit gedaan. Hoe vaak staan we niet met 'lege handen', ouders èn deskundigen?
Het grootbrengen van een autistisch kind is een zware opgave. Elke ontwikkelingsstap gaat met vele problemen gepaard. "Het gewone opvoeden lijkt niet te lukken", verzuchtte eens een moeder.
"daar waar het met mijn andere kinderen allemaal zo spontaan ging, stokt het bij Mark. Ik wou dat er een soort trukendoos bestaat waar ik op momenten van radeloosheid iets uit kan halen, een idee kan vissen". Hoeveel ouders hebben deze wens al niet geuit. Anderzijds beschikken ouders over een ongekende hoeveelheid creatieve ideëen, ideëen die ook voor andere ouders van nut kunnen zijn. Vaak gaan ze echter door de drukte van alledag verloren.
De NVA heeft een poging gedaan deze met behulp van ouderbijeenkomsten boven tafel te krijgen. Wat te doen bij slaapproblemen, bij eetproblemen, hoe bevorder je de zelfstandigheid, hoe stimuleer je het contact, etc.?
Deze voorbeelden zijn gebundeld en aangevuld met adviezen uit de literatuur. Annelie Schenk heeft deze gegevens tot een zinvol geheel samengevoegd in de vorm van een doctoraalscriptie orthopedagogiek (R.U. Leiden 1989).
Wij hebben deze scriptie gezamenlijk bewerkt tot een uitgave van Engagement die - onder de titel "Praktische tips voor ouders" de Special-1990 vormt. Deze Special is geen 'trukendoos', maar een leidraad die ouders ter hand kunnen nemen bij het zoeken naar concrete handgrepen. Er worden verschillende problemen beschreven waarmee ouders bij het grootbrengen van hun autistisch kind geconfronteerd worden en daaraan gekoppeld worden behandelingsadviezen gegeven.
Nogmaals: Het is geen receptenboek maar een ondersteuning bij het moeilijke pad dat ouders van autistische kinderen moeten bewandelen.

Annelie Schenk
Corrie Hellingman
Ina van Berckelaer-Onnes
Ria Stegehuis


Deze Special kon niet tot stand komen zonder de financiële bijdrage van het Nationaal Fonds voor de Geestelijke Volksgezondheid.


De behandelingsstrategie met betrekking tot autistische kinderen

De huidige visie ten aanzien van autisme vindt zijn weerslag in de DSM-III-Revised (Diagnostic Statistical Manual of mental disorders)(APA 1987) [Letop: hier wordt met 'huidige' bedoeld: 1990, inmiddels is DSM IV de laatste versie - commentaar van uw webmaster]. De DSM-III-R is een psychiatrisch classificatiesysteem, waarin de aandoeningen uit het spectrum van autistische stoornissen tot de catagorie pervasieve ontwikkelingsstoornissen worden gerekend. Pervasief wil zeggen dat de stoornis diep in de ontwikkeling van de persoon ingrijpt. De ontwikkeling van tal van funkties wordt daardoor beïnvloed en belemmerd. In de DSM-III-R worden de pervasieve ontwikkelingsstoornissen als volgt gedefinieerd:
  • kwalitatieve tekortkomingen in wederzijdse sociale interacties
  • kwalitatieve tekortkomingen in verbale en non-verbale communicatie en in het verbeeldend vermogen
  • een opvallend beperkt repertoire van aktiviteiten en interesses

Bij de pervasieve ontwikkelingsstoornissen wordt een onderscheid gemaakt tussen de autistische stoornis en de aanverwante contactstoornis, waarbij de autistische stoornis als de meest ernstige vorm wordt beschouwd. [In 1996 heeft de NVA zijn naam gewijzigd in 'voor mensen met een aandoening uit het spectrum van autistische stoonissen' onder andere om aan te geven dat de aanverwante contactstoornissen minstens zo ernstig zijn - commentaar van uw webmaster]

De oorzaak (oorzaken) van autisme is (zijn) nog niet bekend, al wijst recent onderzoek met steeds meer evidentie in de richting van een organische bepaaldheid. Het gaat vermoedelijk om meerdere oorzaken.

In deze Special wordt niet verder ingegaan op de autistische stoornis zelf, we richten ons op concrete handelingsadviezen. Deze adviezen zijn gerelateerd aan de door Rutter (1985) aangegeven behandelingsstrategieën. Rutter meent dat gezinnen met een autistisch kind ondersteund moeten worden. De ouders dienen begeleiding te krijgen in de zware taak waar ze zich voor gesteld zien, zowel in emotionele als in praktische zin. Dit betreft niet alleen begeleiding bij de verwerkingsproblematiek, maar ook praktische steun als het regelen van oppas, speciale woonaanpassingen, etc.

Naast deze meer oudergerichte doelen is het van belang dat er kindgerichte behandelingsplannen worden samengesteld. Deze dienen, aldus Rutter, de volgende doelen na te streven:

  1. Stimulering van de normale ontwikkeling
  2. Vermindering van de specifieke verschijnselen
  3. Eliminering van de non-specifieke verschijnselen

Het eerste doel vloeit voort uit de opvatting dat autisme een ontwikkelingsstoornis is. Er is duidelijk sprake van een abnormale ontwikkeling, aldus Rutter. Waar en voor zover een normale ontwikkeling mogelijk is, dient deze ondersteund en bevorderd te worden.

Onder specifieke verschijnselen verstaat Rutter gedragsverschijnselen die direct uit het autistische syndroom voortvloeien, zoals rigiditeit die zich o.a. uit in weerstand tegen veranderingen en stereotype wijze van omgaan met bepaalde voorwerpen.

Als non-specifieke verschijnselen ziet hij problemen die niet direct voortvloeien uit het autisme. Bij de specifieke verschijnselen hanteert Rutter bewust het woord "vermindering", daar deze nooit echt zullen verdwijnen. Ze blijven als het ware op de achtergrond aanwezig. Bij de non-specifieke problemen spreekt hij van "eliminering", omdat deze wel vaak samengaan met autisme, maar van voorbijgaande aard blijken te zijn, al vraagt het dikwijls een zeer lange adem (zoals bijvoorbeeld eet- en slaapproblemen) Van Berckelaer-Onnes en Kwakkel 1988 .

In het navolgende zullen we aan de hand van de door Rutter geformuleerde behandelingsdoelen een aantal handelingsadviezen aanreiken, te beginnen met de kindgerichte aktiviteiten.

Het stimuleren van de normale ontwikkeling

Rutter noemt een aantal gebieden binnen de normale ontwikkeling die bij de behandeling van autistische kinderen een specifieke rol spelen: de sociale ontwikkeling, de taalontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en het leerproces. Uiteraard kunnen deze gebieden niet los van elkaar gezien worden en spelen ze op elkaar in.

Voordat we op deze aspecten ingaan, willen we echter eerst aandacht besteden aan de ontwikkeling van de motoriek, het spel en de zelfredzaamheid. Ook tenaanzien van deze gebieden voltrekt de ontwikkeling zich bij autistische kinderen anders. Daarbij kunnen zij als belangrijke voorlopers voor de cognitieve ontwikkeling en het leerproces gezien worden.

De motorische ontwikkeling

Stereotiepe bewegingspatronen zijn kenmerkend voor het autistisch syndroom. Een autistisch kind maakt veel eigenaardige bewegingen. Het "klapwiekt" met de armen en de handen, springt op en neer en maakt vaak grimasbewegingen. Sommige kinderen lopen voortdurend op hun tenen en houden daarbij soms de benen stijf. Veel autistische kinderen draaien met voorwerpen of friemelen met de vingers voor hun ogen. De motoriek is vaak zeer stereotiep: het kind wiegt minutenlang ritmisch heen en weer met romp of hoofd, spint om zijn as, of wappert met de handen. Deze stereotiepe bewegingspatronen kunnen zich al op jongere leeftijd manifesteren en zijn door de ouders vaak moeilijk te doorbreken. Veel van deze stereotiepe bewegingen hebben een zelfstimulerend, lustvol karakter voor het kind.

Baby-, peuter- en kleuterperiode

Bij veel autistische kinderen wijkt de grove motorische ontwikkelling aanvankelijk niet af van het normale patroon: de baby begint spontaan zijn hoofdje op te tillen, zich om te draaien, zich op te trekken etc. In vergelijking met het zich normaal ontwikkelende kind gaat het autistische kind vaak op later leeftijd staan en lopen. Soms lijkt het alsof het kind de fase van het vallen en opstaan overslaat. Het is niet zelden dat een autistische peuter plotseling los kan lopen terwijl hij daarvoor alleen maar had gekropen. De motorische ontwikkeling verloopt vaak met horten en stoten: een achterstand op een bepaald gebied kan worden gevolgd door een plotselinge 'inhaalmanoeuvre'. Opmerkelijk is de dysharmonie in de motorische ontwikkeling. Het kind is zeer behendig in het verrichten van motorische activiteiten die zijn belangstelling hebben (bijvoorbeeld het lopen over een richel, het bedienen van de pick-up), terwijl het kind een zeer onhandige indruk maakt als het dingen moet doen die het niet prettig vindt (bijvoorbeeld zichzelf aankleden). Net als de autistische kleuter heeft het autistische schoolkind een houterige, weinig gracieuze motoriek. Stereotypieën (bijvoorbeeld op de tenen lopen) blijven herkenbaar, maar verminderen naarmate het kind ouder wordt. De eerder genoemde discrepantie tussen verschillende motorische vaardigheden blijft bestaan. Opvallend is het geringe en vaak verstoorde lichaamsbesef van autistische kinderen op deze leeftijd; een aantal kinderen herkent zichzelf niet in de spiegel of op foto's.

Adolescentieperiode

In deze periode is vaak sprake van een terugval in schijnbaar afgeleerde stereotypieën en primitieve gedragingen (bijvoorbeeld fladderen, alles in de mond stoppen, likken etc.). Met name bij de op laag verstandelijk niveau functionerende autisten is het gevangen zijn in de eigen lichamelijkheid opmerkelijk, terwijl de verstandelijk meer begaafde autisten vaak sterk dwangmatig zijn. Een aantal stereotiepe bewegingen hebben op deze leeftijd voor een autistische adolescent een lustvol karakter en kunnen tot seksuele opwinding leiden.

Handelingsadviezen met betrekking tot de grove en de fijne motoriek

Bij het verbeteren van de grove motoriek is het belangrijk om uit te gaan van de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind. Tijdens het spel of de oefening moet de volwassene parallel meebewegen met het kind. Ook is het van belang naast het kind te gaan staan en niet er tegenover. Het spel of de oefening kan men stapsgewijs opbouwen , eerst voordoen, dan samen doen en tot slot alleen laten doen. Naast liedjes waarbij bewegingen moeten worden gemaakt zijn bewegingsspelletjes heel geschikt om de grove motoriek te verbeteren:

  • reiken naar een voorwerp door bijvoorbeeld een voorwerp op te hangen aan een koord op reikhoogte voor het kind.
  • rollen, gooien, vangen en schoppen met bijvoorbeeld een zachte bal van rubber of plastic.
  • werpen, naar een doel, bijvoorbeeld een bal in een mand werpen.
  • kruipen, bijvoorbeeld onder de tafel of stoel door.
  • stappen over of op kleine hindernissen, bijvoorbeeld over schoenen- en/of melkdozen, op een bankje of dikke boeken, waarbij men de woorden 'over' en 'op' kan zeggen/herhalen.
  • duwen of trekken, bijvoorbeeld met een kar of kruiwagen, of door touwtrekken.
  • oefenen van het evenwicht door bijvoorbeeld speelgoed van de vloer op te rapen, blokken te dragen of te stapelen, op één voet of op de tenen te staan.
  • springen (bijvoorbeeld een opgehangen opblaasbare bal aantikken), klimmen, rennen, (bijvoorbeeld slalom langs objecten), traplopen, fietsen, steppen en zwemmen.

De handelingen die steeds herhaald moeen worden, kan men in kleine stapjes uitbreiden, Men moet daarbij niet vergeten het kind regelmatig te belonen. Ook bij het verbeteren van de fijne motoriek speelt de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind een grote rol. Men kan de hand van het kind leiden bij (motorische) aktiviteiten waar het kind moeite mee heeft. Door bijvoorbeeld het kneden van klei, het scheuren van papier en het maken van puzzels met knopjes, kan het kind meer kracht in de handen krijgen. Om meer kracht in de voeten te ontwikkelen kan het kind bijvoorbeeld met een blote voet over een gladde stok rollen. Wanneer men een specifiele motorische vaardigheid met het kind wil oefenen, bijvoorbeeld het grijpen, kan men de volgende oefeningen doen:

  • het grijpen van voorwerpen zonder deze te zien, bijvoorbeeld in een voeldoos met daarin een paar bekende voorwerpen.
  • het grijpen van kleine voorwerpen, bijvoorbeeld door tien kleine voorwerpen te verspreiden op tafel en het kind deze met de pincetgreep (dat wil zeggen met duim en wijsvinger) één voor één in een kom te laten doen (chips, snoep en dergelijke)
  • grijpen en loslaten (geven en nemen); ieder heeft een doos, de volwassene reikt het kind voorwerpen aan die op tafel liggen. Het kind pakt het voorwerp aan en doet dit in zijn doos, daarna andersom.

Om het richten van de vinger naar een doel te verbeteren kan men gebruik maken van een drukbel, een speelgoedkassa en/of een muziekdoos. Door deksels los en vast te draaien, en bouten en moeren samen te voegen kan het kind spelenderwijs de draaibewegingen met de handen oefenen.

Ideeën om de oog-handcoördinatie te bevorderen:

  • stapelen van dozen, blokken en ringen
  • leggen van blokken in een doos
  • kralen rijgen of op een stokje doen
  • schenken met een serviesje
  • aankleden van een pop
  • timmeren, prikken of borduren

Ideeën om de oog-voetcoördinatie te bevorderen:

  • schoenen uit en zittend een ring om de voet laten draaien
  • zittend zonder handen te gebruiken een ring om de voet doen.

Verven en tekenen kunnen een positieve invloed hebben op de fijne motoriek (bijvoorbeeld vingerverven, verven met een kwast, het tekenen van lijnen, cirkels en vierkanten, etc.). Ook hier geldt dat men de handelingen veel moet herhalen en stapsgewijs moet uitbreiden.

Spel

Het spel van autistische kinderen heeft de volgende kenmerken:

  • Stereotiepe wijze van omgaan met spelmateriaal
  • Nauwelijks of geen verbeeldend spel
  • Geen of abnormaal sociaal spel

Een autistisch kind heeft geen of nauwelijks belangstelling voor dingen die de aandacht opeisen van elk ander kind dat opgroeit en zich normaal ontwikkelt. Een autistisch kind mist de nieuwsgierigheid om zijn omgeving te ontdekken. Het ontwikkelt een beperkt aantal aktiviteiten waarin de normale exploratiedrang ontbreekt. Het wordt veel minder aangetrokken tot nieuwe en onbekende dingen dan andere kinderen. Het gaat niet op een functionele of zinvolle wijze met spelmateriaal om. Het blijft steken in stereotiepe, herhalende handelingen (bijvoorbeeld het scheuren van papier, etc.). Voor hem is een speelgoedtrein niet een 'net echte' trein, maar een voorwerp dat koud, hard, groen of zwaar is, metaalachtig van smaak, en grappig om naar te kijken als je aan de wielen draait. Een autistisch kind onderzoekt een voorwerp om het genoegen dat hij beleeft aan de eenvoudige, zintuigelijke gewaarwording ervan. Veel autistische kinderen blijven aanvankelijk steken in een vroeg ontwikkelingsstadium; zij blijven proeven, likken en tasten aan de dingen, zonder hun ogen en oren bij de verkenning van de wereld te gebruiken. Het spel van een autistisch kind wijkt reeds in de beginfase af van dat van andere kinderen.

Handelingsadviezen met betrekking tot het bevorderen van 'spel'

De geringe interesse voor de ander en het beperkt vermogen tot contact, wat een voorwaarde is om samen te kunnen spelen, vormen een probleem voor de ontwikkeling van (het) spel van een autistisch kind. Wanneer men de spelmogelijkheden van een autistisch kind wil uitbreiden is het van belang eerst te werken aan verbetering van het contact. Door middel van bepaalde spelletjes en speelgoed kan men trachten een nog sterk in zichzelf gekeerd kind op de buitenwereld (en dus ook op de ander) te richten. Men kan het kind zintuiglijke ervaringen aanbieden die het ertoe aanzetten zich op de buitenwereld te richten. Te denken valt aan het produceren van geluid met een belletje of muziekinstrumentje, het laten zien en bewegen van een aantrekkelijk speeltje. Om de omgang met het kind te bevorderen kan men het nadrukkelijk uitlokken tot interactie. Bijvoorbeeld door een bal naar het kind te rollen, schootspelletje met liedjes en bewegingen te doen, of een autootje naar het kind toe te rijden.

De aandacht voor speeltjes kan men vergroten door het kind slechts twee of drie voorwerpen te geven, en regelmatig een speeltje door een ander te vervangen. Daarbij dient men uit te gaan van de belangstelling van het kind. Dit laatste geldt tevens voor de bevordering van spel in het algemeen: het is erg belangrijk in te spelen op de interesses van het kind en aan te sluiten bij de activiteiten die het kind uit zichzelf al doet (hoe vreemd en zinloos deze activiteiten ook mogen lijken). In eerste instantie duldt het autistische kind vaak geen inmenging in zijn solitaire, stereotiepe activiteiten. Langzamerhand kan men het kind de nabijheid van de ander leren accepteren. Als dit eenmaal lukt kan men samen dingen doen die het kind aanspreken (bijvoorbeeld het laten draaien van allerlei voorwerpen, het spelen met een bromtol, etc.) Door allerlei specifiek materiaal te gebruiken is het mogelijk de aandacht van het kind te wekken, en het van daaruit meer te richten op de handelingen van de ander. Daarbij is het van belang dat het kind tijdens eenvoudige spelletjes naar de volwassene leert kijken en luisteren (nadrukkelijk de naam noemen van het kind).

Wanneer het kind eenmaal graag naar de activiteiten van de ander luistert en/of kijkt, kan men proberen het kind zelf mee te laten doen. Dit kan bijvoorbeeld door voorzichtig bepaalde handelingen bij het kind uit te lokken, of door het kind lichamelijk te begeleiden, door met de hand van het kind voor te doen wat er van hem verwacht wordt. Het bieden van structuur en voorspelbaarheid en het stellen van grenzen kunnen een hulpmiddel zijn om de spelmogelijkheden van het autistische kind te vergroten. Zo kan men per dag een vast spel-halfuurtje inlassen, op een vaste plek, met een aantal voorspelbare activiteiten. Een voorbeeld van het grenzen stellen is het verbieden van het stereotiepe spel, en het kind tegelijkertijd een andere bezigheid aanbieden.

Zo beschrijft Kuiper (1988) een jongetje dat op zeer stereotiepe wijze met zijn favoriete speelgoed, namelijk boerderijbeestjes, omgaat. Het jongetje gooit deze beestjes achter een stoel, en pakt ze er weer achter vandaan, waarna het 'spel' van voren af aan begint. Men verbiedt het jongetje dit, terwijl hem tegelijkertijd wordt voorgesteld iets anders te doen, bijvoorbeeld de beestjes in een bak met water te laten plonzen, en ze te laten lopen met de woorden "stappe-stappe". Om een kind te leren langer met een aktiviteit bezig te zijn is het van belang stapsgewijs de tijd van die aktiviteit uit te breiden, terwijl dit aan het kind duidelijk wordt gemaakt (bijvoorbeeld door een kookwekker, of een serie plaatjes die de aktiviteit weergeven en die stuk voor stuk omgedraaid kunnen worden).

Tot slot nog enkele opmerkingen over het samenspel met broers, zusjes en andere kinderen.
Door het gebrek aan sociaal begrip, en het onvermogen om spontaan te participeren in de spelaktiviteiten van andere kinderen is het belang van samenspel gericht te bevorderen. Dit kan door stapsgewijs en gestructureerd andere kinderen bij de spelaktiviteiten van het autistische kind te betrekken. Men kan bijvoorbeeld eerst het andere kind naast het autistische kind laten zitten als het alleen bezig is.
Langzamerhand kan men het andere kind bij de aktiviteiten betrekken, door het ook een paar stukjes van de puzzel te geven waar het autistische kind mee bezig is.
Geleidelijk kunnen de kinderen samen eenvoudige korte taakjes/spelletjes verrichten, waarbij men eventueel het autistische kind lichamelijk kan begeleiden. Wanneer dit goed gaat, kan men de aktiviteiten iets minder structureren, of er eventueel een derde kind bij betrekken. De verbetering van het spel is sterk afhankelijk van de mate van structuur die het kind door de omgeving aangereikt krijgt. Verbeteringen (onder andere een toename in functioneel spel) zijn het meest duidelijk in gestructureerde situaties, onder begeleiding van een volwassene. Spontane spelaktiviteiten en verbeeldend spel in ongestructureerde situaties blijven echter beperkt. Een aantal stereotiepe, dwangmatige kenmerken blijft meestal bestaan. Naast de mate van - van buiten opgelegde structuur speelt ook het cognitieve en taalontwikkelingsniveau van het autistische kind een rol bij de kwaliteit en de ontwikkeling van zijn spel.

Hierna volgen enkele voorbeelden van spelletjes die men met het kind kan doen. Verder verwijzen wij naar het boek "Inspelen op baby's en peuters" van Riksen Walraven (1981) en "Omgaan met kinderen van 1 tot 4" van Leemans en Bruinsma (1990), waar veel geschikte spelletjes instaan die men ook met een autistisch kind kan doen.

Kiekeboe

De volwassene praat tegen het kind en legt - terwijl het kind naar de volwassene kijkt een doekje over het gezicht. Leun naar het kind toe zodat hij het weg kan trekken, eventueel met hulp. Het spelletje is extra leuk als de volwassene, wanneer het kind het doekje pakt, iets doet wat hij leuk vindt, bijvoorbeeld een bepaald geluid maken, kietelen of iets dergelijks. Men kan het doekje ook over het hoofd van het kind hangen en vragen "waar is ..... nou?" Samen het doekje wegtrekken en enthousiast reageren als het kind weer te voorschijn komt.

Muziek

Zing geregeld kinderliedjes met het kind en maak er steeds dezelfde bewegingen bij, zodat het kind die gaat herkennen.

Spiegelspelletjes

Kijk geregeld samen met het kind in een grote spiegel. Vaak duurt het bij een autistisch kind lang voordat hij zichzelf herkent in de spiegel. De volgende ideeën kunnen het kind helpen zichzelf te leren herkennen:

  • Doe eens dingen voor de spiegel, zoals het kind afdrogen, zijn haar kammen, etc. Het kind ziet dan dat er met het kind in de spiegel precies hetzelfde gebeurt als met hemzelf;
  • Laat het kind zelf ook eens iets doen voor de spiegel, bijvoorbeeld: in de handjes klappen, "dag"-zwaaien, het kind in de spiegel een kusje geven. Houd eens een pop of knuffelbeest tegen de spiegel, zodat het kind op eens twee precies dezelfde dingen ziet.

Zelfredzaamheid

Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: het zelf kunnen zorgen voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals eten, drinken, naar het toilet gaan, zich aan- en uitkleden etc.
Kinderen zijn over het algemeen geneigd handelingen te imiteren als zij zien hoe die door anderen, bijvoorbeeld de gezinsleden worden uitgevoerd. Wanneer zij hun bewegingen in voldoende mate kunnen coördineren beginnen zij uit zichzelf bij de verzorging mee te werken en willen zij al snel bepaalde handelingen zelf gaan verrichten. Zij willen zelf eten, zichzelf aankleden etc. en zijn trots op hun prestaties en hun steeds toenemende vaardigheden. Autistische kinderen hebben veel moeite met het nadoen hetgeen we zowel zien bij het imiteren van bewegingen als bij het nabootsen van klanken. Daarnaast is de drang tot 'zelf doen: groot worden' en 'erbij horen' bij een autistisch kind veel minder dan bij een ander kind. Een autistische kind maakt zich niet 'spelenderwijs' bepaalde vaardigheden eigen, maar moet deze vaardigheden op duidelijke en gestructureerde wijze aangeleerd krijgen. Dit kost veel tijd, energie en geduld. Het geven van verbale instructies of het voordoen van een bepaalde handeling heeft over het algemeen weinig resultaat. Beter is het om het kind te laten voelen hoe een bepaalde handeling verricht moet worden, waarbij men het kind lichamelijk begeleidt gedurende de hele handeling (zie handelingsadviezen). Men houdt bijvoorbeeld de ledematen en de vingers van het kind vast en beweegt deze volgens het patroon van bewegingen dat voor een bepaalde vaardigheid vereist is. Zo zal het kind langzamerhand gaan beseffen wat er van hem verlangd wordt. Met name in deze eerste periode lijkt het erop dat de volwassene al het werk doet; de vingers van het kind voelen slap aan, en van een 'van zelf doen' is geen sprake. Vaak zal het kind echter bij stukjes en beetjes de bewegingen gaan volgen totdat het kind het tenslotte helemaal zelf kan.

Handelingsadviezen met betrekking tot zelfredzaamheid

Het aanleren van vaardigheden zoals: wassen, aankleden, eten kan het best thuis gebeuren op het moment dat het kind enige mate van onafhankelijkheid is bij te brengen.
Men demonstreert het wenselijk gedrag en breekt vervolgens de handeling in delen. Stap voor stap wordt het gedrag aangeleerd waarbij beloningen van nut kunnen zijn. Door uit te vinden hoe het kind het snelst leert (via plaatjes, woorden, geluid, aanraken) kan men het leerproces versnellen. Het is van belang dat het kind leert (even) aandacht op te brengen. Begrijpt het kind geen taal dan kan het door middel van 'het zichzelf laten leiden' leren, totdat het kind de bewegingen zelf kan verrichten (bijvoorbeeld bij het aankleden). Men moet niet teveel tegelijk willen. Als het kind angstig wordt of niet vooruit komt kan men het best een stapje terug gaan. Wanneer het kind iets geleerd heeft, is het belangrijk hem daar even tevreden mee te laten zijn voor men hem hogere eisen gaat stellen.

Bij het leren zelf aan- en uitkleden moet men beginnen met eenvoudige en/of laatste handelingen. Het kind moet bijvoorbeeld zijn trui naar beneden trekken, of het laatste deel van zijn broek omhoog doen. Door de hand van het kind te pakken en te laten voelen hoe het moet, zal het kind steeds meer de beweging gaan volgen (meer spankracht in de vingers van het kind).
Bij het leren sokken aantrekken begint men met een smal snoepje in een fles te stoppen, daar een sok over te trekken en het kind de sok er af te laten halen. Vervolgens wordt geoefend met het aantrekken van een brede sok; als dit goed gaat kan het kind met de eigen sok gaan oefenen.
Ook wat betreft het leren aantrekken van een lange broek begint men met de laatste handeling. De broek wordt tot de dijen opgetrokken, de handen van het kind plaatst men aan de rand van de broek, eerst samen, daarna trekt het kind alleen de broek omhoog.
Dezelfde procedure vanaf de knieën, daarna vanaf de enkels. Om in de broek te stappen gaat het kind zitten, de volwassene leidt de handen van het kind om de broek open te houden, één voor één voeten in de pijpen laten steken en het kind recht laten staan bij het omhoogtrekken van de broek. De handelingen worden door de volwassene kort verwoord, bijvoorbeeld "trek broek aan".

Ook bij het bevorderen van zelf wassen en tanden poetsen kan men beginnen met eenvoudige en/of laatste handelingen (bijvoorbeeld het kind het washandje laten uitspoelen en uitwringen). Door de hand van het kind te leiden leert het te voelen hoe het moet. De volwassene kan de armen van het kind inzepen, op het schuim wijzen en het schuim er samen met het kind afspoelen. Daarbij verwoordt de volwassene de handelingen in korte zinnen, bijvoorbeeld "arm afspoelen", "warm", "gedaan" etc. en beloont het kind bij iedere stap. Na de eenvoudige of laatste handeling een aantal malen te hebben herhaald, wordt de handeling uitgebreid. Daarbij moet de volwassene het kind stimuleren het zelf te doen door de hulp te verminderen, zelf te aarzelen hoe het moet of door het zelf verkeerd te doen. Het kind kan het verschil tussen koud en warm water leren door op de warmwaterkraan een rode band te plakken, water in de bak te laten lopen, en het kind te laten voelen. Bij heet water zelf een vinger in het water steken en er vlug weer uittrekken; dit kan men gerust overdrijven. Hetzelfde doet men bij de koudwaterkraan waar men een blauwe band op plakt. Vervolgens kan het kind leren warm en koud water te mengen. Wat betreft het leren tanden poetsen begint men met het kind te laten kijken als men zelf tanden poetst. Daarna houdt het kind zijn eigen borstel vast, de hand van de volwassene leidt de hand van het kind, terwijl de volwassene achter het kind staat. Met de andere hand houdt de volwassene de kaak van het kind open. In het begin tolereert het kind slechts één of twee poetsbewegingen; men kan dit langzamerhand uitbreiden, en op meerdere plaatsen poetsen. Als het kind op de tandenborstel bijt, duwt men voorzichtig de huid achteruit zodat de kaak open gaat. Men kan het kind eerst laten wennen aan de smaak van tandpasta door tandpasta op de vingers van het kind te doen en zachtjes het tandvlees te masseren.

Bij het bevorderen van het zelf eten en drinken begint men het kind voedsel te geven dat het met de vingers op kan nemen en/of kan eten, bijvoorbeeld een stukje brood, een stukje kaas, een worstje etc. geeft kleine porties tegelijk; het is belangrijk voor overzichtelijkheid te zorgen. Samen met het kind houdt men de lepel of beker vast (hand over hand van het kind); geleidelijk de druk van de eigen hand verminderen. Om het kind uit een beker te laten drinken neemt men een brede lichte beker met sap dat het kind lekker vindt en houdt deze samen met het kind vast. De volwassene staat achter het kind en houdt bij het naar de mond brengen van de beker de pols van het kind vast. Langzamerhand hulp verminderen tot lichte aanraking van de arm. Bij het leren eten met een lepel legt men iets lekkers op de lepel, samen met het kind de lepel vasthouden, langzamerhand de druk van de eigen hand verminderen de voorarm geleiden en tot slot alleen laten doen. Als het kind met een lepel kan eten, kan het gaan leren eten met een vork. Zorg dat er geen scherpe punten aan de vork zitten en begin met voedsel dat gemakkelijk te prikken is (worstjes, gekookte wortel, grote bonen). Eerst voordoen, dan samendoen en tot slot alleen laten doen. Ook hier zijn belonen, herhalen, handelingen verwoorden en stimuleren het zelf te doen belangrijke middelen ter bevordering van het zelf leren eten en drinken. Om het kind te leren onderscheiden tussen 'eetbaar' en 'oneetbaar' legt men twee voorwerpen neer (bijvoorbeeld een kraal en een suikerklontje) en zegt tegen het kind "eet"; prijs het kind als hij het goed doet. Deze werkwijze kan herhaald worden met verschillende voorwerpen.

Wanneer men een kind wil leren aan een opdracht te voldoen of mee te helpen in huis begint men met een eenvoudige praktische opdracht. Voorbeelden hiervan zijn: borden op tafel zetten, een kopje naar de keuken brengen, een jas aan de kapstok hangen of planten water geven. De opdracht moet te overzien zijn en moet niet te lang duren; wel moet de opdracht worden afgemaakt. In het begin kan men de opdracht samen uitvoeren door de handen van het kind te leiden. De opdrachten kunnen in stapjes worden uitgebreid waarbij men de hulp langzaam vermindert (bijvoorbeeld het kind het zelf laten oprapen als het iets laat vallen). De opdracht moet regelmatig worden herhaald waarbij men dezelfde woorden en gebaren gebruikt. In zijn algemeenheid moet elke activiteit een zelfde en dus herkenbare structuur hebben. Het kind bij iedere stap belonen en duidelijk zijn in wat wel en wat niet mag. Wanneer het kind bepaalde opdrachtjes binnenshuis goed uit kan voeren, kan men met opdrachtjes buitenshuis beginnen (dit geldt met name voor oudere kinderen die verstandelijk redelijk functioneren). Het kind kan bijvoorbeeld leren een boodschap te doen: een trein- of buskaart te kopen etc. Ook dit dient stapsgewijs aangeboden te worden waarbij de kans op slagen zeer groot moet zijn. Men begint bijvoorbeeld samen met het kind een boodschap te doen in een kleine overzichtelijke winkel in de buurt. Als dit goed verloopt, wacht de volwassene buiten voor de deur en het autistische kind doet de boodschap. Wanneer ook dit goed verloopt wacht de volwassene op de hoek. Dit bouwt men stapsgewijs op tot het kind het alleen kan.

De sociale ontwikkeling

Autistische kinderen vertonen een opvallend gebrek aan interesse voor de sociale omgeving. Er is bij hen niet zozeer sprake van afwezigheid van sociale relaties maar van afwijkende sociale relaties; het gaat met name om de kwalitatieve aspecten van de sociale interacties. Vanaf de geboorte ervaren ouders een gebrek aan contact. Het kind toont weinig interesse voor het menselijk gelaat. De kinderen hebben vaak een lege blik en vertonen geen uitdrukking in mimiek. Hechtingsgedrag komt op vreemde wijze tot stand; het betreft meestal binding aan routines die aan een bepaalde persoon gekoppeld worden, in plaats van emotionele binding. Wel laten autistische kinderen vaak sterke gebondenheid aan(een) bepaald(e) object(en) zien. Naarmate de baby peuter wordt, wordt het in zichzelf gekeerd zijn, de geringe interesse voor zijn sociale omgeving opvallender; het kind toont zelden intentionele gerichtheid op de ander. Eenmaal in de kleuterfase valt het gebrek aan contact met leeftijdgenoten duidelijk op; het autistische kind is in zichzelf verzonken en neemt geen deel aan de gemeenschappelijke 'kleuterwereld'. In de schoolleeftijd (6 - 12 jaar)presenteert de relatiestoornis zich in een wat andere vorm. Het kind heeft zich enkele sociale vaardigheden eigen gemaakt en is gewend aan de mensen die hem dagelijks verzorgen en heeft op zijn manier bepaalde relaties ontwikkeld. Het heeft met de verschillende gezinsleden een bepaalde band opgebouwd, ook al is deze voor buitenstaanders niet altijd herkenbaar. De gerichtheid op vreemden is gering, soms raakt het autistische kind geboeid door een detail (bijvoorbeeld een gerichtheid op jaszakken) van een onbekend persoon. Het gebrek aan hechte sociale relaties wordt met name duidelijk in de omgang met andere kinderen; autistische kinderen tonen geen tot weinig belangstelling voor andere kinderen. Zij zijn niet of nauwelijks in staat zich te verplaatsen in de ander, zij missen de sociale vaardigheden om mee te kunnen doen, terwijl bepaalde kinderen dat wel graag zouden willen. In hoeverre een kind tot sociale interactie met leeftijdgenoten komt, hangt mede sterk samen met het verstandelijk functioneren van het kind. De kwaliteit van het contact, het gebrek aan wederkerigheid ervan en het onvermogen om tot gezamenlijkheid te komen, kenmerken ook op deze leeftijd de relatiestoornis. Veel kinderen blijven zich terugtrekken en verliezen zich in zelfstimulerende, bizarre activiteiten. Ook de autistische adolescent blijft een gebrek aan sociale vaardigheden vertonen; hij heeft vaak alleen die vaardigheden aangeleerd die nodig zijn om zich te handhaven in zijn beschermde leefsituatie. Ook op deze leeftijd hangt de vaardigheid om tot sociale interactie te komen samen met het niveau van intellectueel functioneren. De verstandelijk meer begaafde autistische adolescent is in staat bepaalde relaties aan te gaan, hoewel de inleving in de ander gering blijft en de relatie vaak oppervlakkig en egocentrisch van aard is. Een meer diepgaande relatie is voor hem niet mogelijk omdat het hem aan invoelingsvermogen ontbreekt; de relatie blijft vaak een 'eenrichtingsverkeer' karakter houden doordat de autistische adolescent niet in staat is te peilen wat er in de ander aan gevoelens en gedachten leeft. Tijdens groepsactiviteiten blijkt bijvoorbeeld dat van echte samenwerking nauwelijks sprake is, hetgeen in een arbeidssituatie vaak tot problemen leidt.

Handelingsadviezen met betrekking tot de sociale ontwikkeling

Wanneer men het contact met een autistisch kind wil bevorderen, is het van belang uit te gaan van de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind. Enkele mogelijkheden om het contact op te bouwen:

  • kietel- en stoeispelletjes
  • lichaamsspelletjes
  • kiekeboe
  • massage
  • verstopspelletjes (een voorwerp of persoon)
  • muziek maken, bijvoorbeeld voor het kind zingen
  • meedoen met het stereotiepe spel (bijvoorbeeld de handelingen van het kind imiteren en stapsgewijs kleine variaties aanbrengen)
  • situaties creëren waarbij het kind de ander nodig heeft (houd bijvoorbeeld een blok, auto of puzzel stuk achter wat het kind nodig heeft om zijn activiteit te volbrengen).

Hierna volgen enkele voorbeelden van activiteiten en spelletjes die de sociale ontwikkeling van het autistische kind stimuleren.

Kietelspelletje

Algemeen doel: sociale interactie verbeteren en plezier beleven aan lichamelijk contact.
Doel van het spelletje: leren omgaan met lichamelijk contact.
Benodigdheden: een speelgoedpop of beest van zacht materiaal.
Neem een pop of beest en probeer daarmee de aandacht van het kind te trekken. Gebruik de pop of het beest om het kind zachtjes en vriendelijk te kietelen. Tijdens het kietelen kan men naar het kind lachen en iets zeggen in de trant van "kiele-kiele". Men begint met heel korte perioden; wanneer het kind er plezier in krijgt en het gekietel langer tolereert kan men de tijd uitbreiden. Af en toe stoppen om te kijken of het kind aangeeft dat het nog meer gekieteld wil worden. Continueer de activiteit zolang het kind er plezier in heeft.

Spelletje met speelgoedauto

Algemeen doel: de interactie stimuleren en de spelvaardigheden verbeteren.
Doel van het spelletje: heen en weer rijden van de auto tussen het kind en de andere persoon.
Benodigdheden: speelgoedauto met achterbak, enkele snoepjes, rozijntjes, chips of iets dergelijks.
Ga op de grond zitten en laat de auto rijden met in de achterklep iets dat het kind lekker vindt. Zorg ervoor dat het kind het ziet als er iets lekkers in de auto wordt gelegd. Moedig het kind aan de auto terug te rijden. Aanvankelijk is er misschien nog iemand nodig die naast het kind zit om de beloning uit de auto te halen en hem terug te rijden. De hulp kan men langzaam afbouwen; houd de activiteit vol zolang het kind er plezier in heeft.

Spelletje met blokken

Algemeen doel: vaardigheid tot interactie ontwikkelen en leren iets om de beurt te doen.
Doel van het spelletje: om de beurt een blok op een toren zetten.
Benodigdheden: blokken.
Geef het kind drie blokken en neem er zelf ook drie. Zet het eerste blok neer en moedig het kind aan er een blok bovenop te zetten. Als het nodig is, kan men het kind hierbij helpen. Zet nu zelf weer een blok op het blok van het kind zodat er een toren ontstaat. Als het kind een blok neer wil zetten terwijl het de beurt van de ander is, kan men de hand van het kind even tegenhouden. Langzamerhand minder aanwijzingen geven, kijk of het kind het door heeft wanneer het aan de beurt is.

Poppenspel

Algemeen doel: sociale interactie en verbeeldende vaardigheden stimuleren.
Doel van het spelletje: met twee handpoppen tot sociale interactie komen.
Benodigdheden: twee handpoppen.
De volwassene neemt een handpop in de hand en probeert contact te maken met het kind (zachtjes kietelen, eenvoudige zinnetjes zeggen, een andere stem gebruiken, etc.). Moedig het kind aan terug te praten tegen de pop in plaats van tegen de volwassene. Als het kind er plezier in heeft en enig begrip krijgt van het poppenspel kan men het ook een handpop geven en laten zien hoe het ermee kan spelen. Probeer de poppen met elkaar te laten praten, elkaar zachtjes te kietelen, etc.

Sorteer- en combinatiespelletje

Spelletje 1

Algemeen doel: het leren sorteren en het stimuleren van de gerichtheid op de ander.
Doel van het spelletje: kijken naar de volwassene die een voorwerp ophoudt; het zoeken van een zelfde voorwerp.
Benodigdheden: Vier keer twee dezelfde voorwerpen (bijvoorbeeld twee sokken, twee blokken, twee lepels en twee krijtjes).
Men legt de vier verschillende voorwerpen voor het kind neer terwijl men de andere (identieke) voorwerpen op schoot houdt. Houd een van de voorwerpen omhoog en laat het kind hetzelfde voorwerp erbij zoeken (verwoord dit door bijvoorbeeld te zeggen "geef de sok"). Wanneer het kind het juiste voorwerp geeft of ernaar wijst of kijkt, moet men het kind prijzen. Men stopt de twee identieke voorwerpen in een doos en houdt een volgend voorwerp omhoog.

Spelletje 2

Dit zelfde kan men doen met vier voorwerpen en vier afbeeldingen van deze voorwerpen (bijvoorbeeld foto's of plaatjes). De volwassene legt de vier plaatjes voor het kind neer en geeft het om de beurt een voorwerp dat het kind bij het juiste plaatje moet leggen (wanneer dit te moeilijk blijkt kan men het kind eerst twee plaatjes voorleggen en langzamerhand het aantal plaatjes uitbreiden).

Spelletje 3

Algemeen doel: het leren combineren en het stimuleren van de gerichtheid op de ander.
Doel van het spelletje: het zoeken van twee niet-identieke voorwerpen die bij elkaar horen.
Benodigdheden: verschillende voorwerpen die bij elkaar horen (bijvoorbeeld een kopje en een schoteltje, een broekje en een trui van een pop, een lepel en een vork, etc.)
De volwassene legt twee voorwerpen voor het kind neer die niet bij elkaar horen; de andere voorwerpen houdt de volwassene bij zich. Men houdt een voorwerp omhoog, het kind moet het bij het voorwerp leggen dat bij het opgehouden voorwerp hoort. Prijs het kind als hij het goed doet en verwoord de handeling. Als het kind de bedoeling begrijpt, kan men het aantal voorwerpen langzamerhand uitbreiden.

Het "Wat het ik nodig" spelletje

Algemeen doel: verbeteren van de interactie, het begrijpen van de functie van voorwerpen.
Doel van het spelletje: andermans behoeften zien en het juiste voorwerp aanbieden.
Benodigdheden:
zakdoek, trui, kam.
Leg de drie voorwerpen op tafel voor het kind. Laat op non-verbale wijze zien wat men nodig heeft. Door bijvoorbeeld te rillen en te huiveren kan men laten zien dat men het koud heeft en een trui nodig heeft. Beeld het eerst uit en vraag daama aan het kind: "Wat heb ik nodig?" Als het kind niet reageert kan men het nog een keer uitbeelden, naar de trui wijzen en benoemen. Hetzelfde doet men bijvoorbeeld met de kam. De volwassene brengt zijn haar in de war en vraagt aan het kind wat het nodig heeft. Langzaam opbouwen, zonodig eerst met hulp.

De taalontwikkeling

Ongeveer 50% van de autistische kinderen komt nooit tot aktief taalgebruik; zij spreken in het geheel niet. Als zij al gaan praten, gebeurt dit over het algemeen later en anders dan in de normaal verlopende ontwikkeling. Bij deze kinderen treft men typische verschijnselen aan:

  • echolalie: hetgeen tegen het autistische kind gezegd wordt, wordt onmiddellijk of op een later tijdstip (uitgestelde echolalie) met dezelfde intonatie "gepapegaaid"
  • onrijp taalgebruik dat zich o.a. uit in de omkering van persoonlijke voornaamwoorden (de kinderen noemen zichzelf "jij" in plaats van "ik")
  • het letterlijk nemen van woorden en gezegden
  • het onvermogen om taal communicatief te gebruiken; er is geen sprake van wederkerigheid tussen beide 'gespreks-partners', er wordt nauwelijks rekeninggehouden met wat de ander terugzegt
  • expressiviteit van het taalgebruik is vreemd; het kind vertoont stoornissen in intonatie (vlakke, robotachtige wijze van spreken).

Evenals bij de sociale ontwikkeling gaat het vooral om de kwalitatieve aspecten.

De zuigeling - peuter kleuter

De geringe respons van het kind op verbale benadering gedurende de eerste levensmaanden valt de meeste ouders van autistische kinderen al snel op. Het kind schenkt doorgaans niet meer aandacht aan spraakklanken dan aan elk ander geluid, het kind lijkt wel doof of slechthorend. Reeds in de eerste levensmaanden zijn gestoorde taal uitingen bij het autistische kind aanwijsbaar; het huil- en brabbelgedrag van autistische baby's wijkt af van dat van andere kinderen. Het huilen lijkt expressie en intentionaliteit te missen, terwijl het brabbelen ten opzichte van andere kinderen verschilt in tijdstip, hoeveelheid en in wijze waarop (later, minder gevarieerd, niet expressief of communicatief).

Het schoolkind

Het wel of niet spreken is een belangrijke factor in de ontwikkeling van het schoolkind. De groep niet-sprekende autistische kinderen is over het algemeen meer op zichzelf betrokken. Het sprekende schoolkind valt op door zijn eigenaardige taalgebruik. Naast de eerder genoemde verschijnselen is vaak ook het inhoudelijk taalgebruik vreemd, en het taalbegrip zeer beperkt. Dit wijt men aan een gestoorde symbool-functie. Zo worden woorden, aangeleerd aan de hand van concrete voorwerpen, bijvoorbeeld stoel, alleen gebruikt bij het zien van die ene stoel. Dat er meer soorten stoelen zijn is moeilijk duidelijk te maken. De beperkte symboolfunctie valt met name op bij autistische kinderen die kunnen lezen. Hoewel hun lezen technisch op niveau is, kunnen zij vaak niet navertellen wat ze gelezen hebben. Het verband tussen klanken en voorwerpen of handelingen is te willekeurig voor hen om te begrijpen, er bestaat te weinig openlijk en rechtstreeks verband tussen deze twee. Hun taalgebruik blijft concreet gebonden.

De adolescent

Bepaalde merkwaardigheden in het taalgebruik zijn op deze leeftijd door taaltraining verminderd, hoewel een aantal typische verschijnselen (echolalie, intonatie, het gebruik van neologismen en concretismen) bij de meeste autistische adolescenten herkenbaar blijven. Ook bij deze leeftijdsgroep ontbreekt de wederkerigheid; een echt gesprek is nauwelijks mogelijk. Er blijft sprake van eenrichtingsverkeer, de autistische adolescent praat tegen iemand maar nauwelijks met iemand; er wordt weinig rekening gehouden met wat de ander terugzegt. Het ontbreekt de autistische adolescent aan het vermogen zich in te leven in (de visie van) de ander. Het is voor autistische kinderen moeilijk te begrijpen dat taal meer betekent dan de woorden afzonderlijk. Dezelfde woorden kunnen in een veranderde sociale context ineens iets anders betekenen. Een voorbeeld hiervan is 'hoop' waarvan het kind geleerd heeft dat dit 'een hoeveelheid' betekent. Dat het woord ook nog een meer abstracte betekenis heeft, namelijk 'verwachting', is voor het autistische kind moeilijk te bevatten. Ook het gebruik van uitdrukkingen levert de nodige problemen op; bijvoorbeeld "het mes snijdt aan twee kanten". Een mes heeft maar een snijkant, aldus een autistische adolescent. Kinderen met autisme missen de gave om de essentie van steeds wisselende sociale situaties te doorzien. Zij zijn nauwelijks of niet in staat de structuur van een taal te vinden en de hoofdvan bijzaken te onderscheiden. Die structuur dient men zoveel mogelijk concreet te maken voor hen.

Non-verbale communicatie met betrekking tot niet-sprekende autisten

De niet-sprekende autistische kinderen ontwikkelen nauwelijks spontaan gebaren of andere non-verbale vaardigheden om zich duidelijk te kunnen maken. Het blijkt wel mogelijk niet-sprekende autistische kinderen alternatieve vormen van communicatie aan te leren: dit geldt met name voor de verstandelijk meer begaafde kinderen. Na een programma met eenvoudige gebarentaal in combinatie met verbale begeleiding is een aantal van de niet-sprekende autistische kinderen in staat verbale vaardigheden te ontwikkelen. Alternatieve communicatie hoeft de ontwikkeling van spraak niet te belemmeren. Enige voorbeelden van vormen van non-verbale communicatie:

  • het gebruik van concrete voorwerpen als middel tot communicatie waardoor het kind zijn verlangens leert uit te drukken via deze voorwerpen (jas betekent 'naar buiten', lepel betekent 'eten', etc.)
  • het gebruik van plaatjes en afbeeldingen heeft het voordeel dat het kind een reeks plaatjes met zich mee kan dragen en aan kan wijzen wat het bedoelt.
  • het gebruik van gebaren. Het gaat hier met name om concrete gebaren die in sterke mate lijken op het voorwerp of de beweging die ze symboliseren of voorstellen.

Handelingsadviezen met betrekking tot de taalontwikkeling

Enkele algemene richtlijnen:

  • allereerst moet men proberen de aandacht van het kind te trekken. Oogcontact is daarbij van groot belang (het kind moet leren dat het iemand aan moet kijken)
  • een voorwaarde voor communicatie en taalontwikkeling is dat er sprake is van contact. Aan dit contact dient men dus eerst te werken (zie het voorafgaande over sociale ontwikkeling)
  • het is van belang dat men zich aanpast aan het niveau van het kind en dat men met het kind praat over onderwerpen die zijn belangstelling hebben
  • men moet laten merken graag naar het kind te willen luisteren. Iedere poging van het kind tot communicatie dient beloond te worden (bijvoorbeeld in de vorm van aandacht)
  • wanneer een kind niet in staat is door middel van taal of gebaren te communiceren kan het leren datgene wat het bedoelt aan te wijzen of te laten zien.

Enkele ideeën die het kind kunnen uitdagen tot communicatie

  • speel een bekend en een onbekend sociaal spelletje met het kind. Stop wanneer het kind er plezier in krijgt en wacht.
  • blaas een ballon op, laat hem leeglopen, geef hem dan onopgeblazen aan het kind of zet hem weer aan de eigen mond en wacht.
  • eet zelf iets in het bijzijn van het kind wat het kind lekker vindt zonder iets aan het kind te geven.
  • wind een opwindspelletje op, laat het aflopen en geef het dan aan het kind.
  • blaas bellen uit een potje met bellenblaassop, doe het potje dicht en geef het gesloten potje aan het kind.
  • doe een voorwerp dat geluid maakt in een tas, schud de tas, houd de tas omhoog en wacht.
  • rol een bal naar het kind. Wanneer het kind de bal drie keer terugrolt, rolt men onmiddellijk een ratel of speeltje op wieltjes naar het kind.
  • doe een geliefd voorwerp of voedsel in een doorzichtige tas die het kind zelf niet openkrijgt. Zet de tas bij het kind en wacht af.
  • laat een voorwerp ontbreken dat nodig is om een geliefde aktiviteit van het kind uit te voeren. Een derde persoon komt met het voorwerp binnen, gaat op afstand zitten met het voorwerp in zicht, en wacht de reaktie van het kind af (krijtje, lepel, etc.).

Ideeën ter bevordering van het taalgebruik

Jonge autistische kinderen hebben vaak moeite met het selecteren van geluiden: als men de taal van het kind wil stimuleren kan men het beste in een prikkelarme ruimte beginnen. Dat is van belang omdat het kind dan niet zo snel door andere dingen kan worden afgeleid. Ook kunnen met name de jonge autistische kinderen nog geen koppeling maken tussen woord en voorwerp of persoon. Zij weten niet dat met taal sociale interactie mogelijk is. Het is belangrijk dat het kind plezier leert krijgen in het maken van geluiden. Dit kan gestimuleerd worden door bijvoorbeeld een toeter of een telefoon, een handpop, een spiegel, of door het zingen/opzeggen van liedjes en rijmpjes. Om het taalgebruik van het autistische kind uit te breiden kan men de volgende middelen aanwenden:

  • het kind aanraken en gedurende bepaalde activiteiten 'lichamelijk begeleiden' zodat het leert te begrijpen wat de bedoeling is. Daarbij verwoordt men de aktiviteit (b.v. het kind optillen bij het woord "springen").
  • korte zinnen gebruiken, bijvoorbeeld éénwoordzinnen. Langzamerhand kan men de lengte van de zinnen uitbreiden tot twee à drie woordzinnen (bijvoorbeeld steeds een woord meer zeggen dan het kind zegt).
  • het kind individueel aanspreken en uitgaan van de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind (bijvoorbeeld door voor het kind belangrijke voorwerpen te benoemen).
  • duidelijk en langzaam praten en veel herhalen (blijf praten en benoemen, ook al zegt het kind niets terug).
  • imiteren en herhalen van geluiden van het kind, zodat het kind merkt dat het wat teweegbrengt in de omgeving (maak bijvoorbeeld gebruik van een cassetterecorder).
  • de geluiden die het kind maakt omvormen tot klanken.
  • het kind aanmoedigen te zeggen wat het hebben wil, en direct bevestigen wat het kind zegt (bijvoorbeeld "ja, een appel")
  • benoemen van voorwerpen en situaties tijdens dagelijkse bezigheden.
  • benoemen tijdens het spel. Woorden koppelen aan: bewegingen, concrete voorwerpen, handelingen, lichaamsdelen. Bijvoorbeeld door middel van foto's van bekende voorwerpen, personen en situaties.
  • benoemen van begrippenparen als warm-koud, hoog-laag, links-rechts.
  • foto's maken van bekende voorwerpen uit de omgeving, vervolgens foto en voorwerp bij elkaar laten zoeken.
  • massage, waarbij het accent ligt op ontspanning en lichaamsbesef, en het verwoorden van wat men doet.
  • belonen van ieder initiatief tot taalgebruik.

Middelen ter doorbreking van associatieve en echolalische uitspraken

  • imitatie van de eigen echolalie (b.v. het kind nazeggen op het moment dat het echolalie vertoont, of gebruik maken van een cassette-recorder).
  • zangspelletjes, bijvoorbeeld op bestaande melodieen zelf woorden zingen die aangeven wat het kind doet of gaat doen.
  • antwoord leren geven op eenvoudige vragen (bijvoorbeeld aanvulzinnen)
  • 'ik'-gebruik stimuleren door bijvoorbeeld in een groepje te vragen "wie wil er een appel?"
  • belonen van gewenst gedrag (verbaal en/of lijfelijk).
  • negeren van associatieve en echolalische uitspraken.

De cognitieve ontwikkeling en het leerproces

Rutter (1985) noemt twee voorwaarden om de normale cognitieve ontwikkeling te bevorderen:

  • het opdoen van actieve betekenisvolle ervaringen.
  • de mogelijkheid hebben om de opgedane leerervaringen te benutten.

Beide voorwaarden zijn voor autistische kinderen niet zo vanzelfsprekend aanwezig. We zullen dit aan de hand van een aantal aspecten toelichten en daaraan concrete richtlijnen koppelen.

  • Autistische kinderen hebben de neiging zich terug te trekken waardoor zij de leerervaringen missen die voortkomen uit de interactie tussen volwassene en kind. Geplande interactieperioden zijn noodzakelijk om het kind deze leerervaringen op te laten doen. Voor een autistisch kind dient de omgeving zo aanlokkelijk mogelijk te worden gemaakt teneinde het zich terugtrekken zoveel mogelijk te vermijden.
  • Door hun beperkte begrip (als gevolg van een basaal cognitief defect) begrijpen autistische kinderen vaak niet wat er tegen hen gezegd wordt en reageren zij niet of nauwelijks op klassikale instructie. Zij hebben veel individuele aandacht nodig en zijn meestal op speciaal onderwijs aangewezen.
  • Autistische kinderen nemen zelf nauwelijks of geen initiatieven. Wanneer men hen hun gang laat gaan zijn ze geneigd zich te verliezen in solitaire stereotiepe, zich steeds herhalende aktiviteiten. De leersituaties en het onderwijs moeten meer gestructureerd en meer directief zijn dan bij andere kinderen.
  • Autistische kinderen beschikken over een beperkt vermogen om van leerervaringen te profiteren. Zij hebben veel moeite datgene wat zij in de ene situatie geleerd hebben toe te passen in een andere situatie. Dit is voor een belangrijk deel mede afhankelijk van het verstandelijk functioneren van het kind. Wil men het leerproces opgang brengen dan moeten er ook op dat punt, aldus Rutter, aan een aantal basisvoorwaarden worden voldaan:
    • het kunnen opbrengen van aandacht en het begrijpen van aanwijzingen die gegeven worden
    • het kunnen toepassen van kennis in nieuwe situaties
    • het kunnen opbrengen van begrip van hetgeen dat wordt geleerd
    • het leren omgaan met moeilijkheden die men bij het leren van nieuwe dingen tegenkomt.
    Deze voorwaarden leveren bij autistische kinderen problemen op.
  • Autistische kinderen hebben immers grote moeite met het zelfstandig volbrengen van een taak. Wanneer men een autistisch kind alleen aan een taak laat werken zal het zich al heel snel niet meer met de taak bezighouden. De leersituatie moet daarom duidelijk gestructureerd worden. Bovendien is het van belang de taak in kleine stukjes te verdelen zodat het kind overzicht houdt. Men kan het kind belonen voor elk stukje taak dat het goed heeft volbracht.
  • Het vertonen van afwijkend gedrag (bijvoorbeeld rigide stereotiep gedrag) belemmert autistische kinderen in het opbrengen van aandacht en het begrijpen van aanwijzingen. Getracht moet worden het afwijkende gedrag zoveel mogelijk te reduceren.
  • Bij veel autistische kinderen is sprake van 'overselectiviteit ; zij richten zich op een specifiek aspect van een taak en hebben geen oog voor alle andere aspecten. Extra aanmoediging of aanwijzingen kunnen de overselectiviteit verminderen.
  • De meeste autistische kinderen zijn niet in staat datgene wat zij in een bepaalde situatie geleerd hebben toe te passen in een andere situatie; zij leren context-specifiek. Daarom is het belangrijk bij de behandeling de nadruk te leggen op de natuurlijke omgeving van het kind (daar waar de problemen zich voordoen). Tevens dient men speciale aandacht te besteden aan het leren generaliseren.
  • Een opvallend kenmerk van autistische kinderen met betrekking tot het leren is de 'mechanische', 'robotachtige' wijze van leren, zonder de betekenis te begrijpen. Zo kan een aantal autistische kinderen technisch goed lezen maar begrijpen ze vaak niet wat ze gelezen hebben (het betreft met name de betekenis van datgene wat ze gelezen hebben; gelezen feiten kunnen zij namelijk wel navertellen). Men dient zorgvuldig na te gaan wat een kind wel en niet weet, zodat men het leerprogramma hierop kan afstemmen. Tevens is het van belang expliciet aandacht te besteden aan de betekenis van datgene wat het kind geleerd heeft.
  • Autistische kinderen zijn geneigd terug te vallen in stereotiep, rigide gedrag wanneer zij nieuwe dingen moeten leren. Het best kan men de leertaak stapsgewijs aanbieden, zodat de kans op succes groot is en het kind de taak kan volbrengen met een minimum aan fouten.

Naast deze al gemene handelingsadviezen betreffende problemen die een autistisch kind heeft op het gebied van de cognitie en het leerproces, volgen nog enkele practische ideeën en tips betreffende de bevordering van deze ontwikkelingsaspecten. Op speelse wijze is het mogelijk vaardigheden en begrippen van het autistische kind uit te breiden. Dit kan onder andere door het leren sorteren:

  • bijvoorbeeld door het sorteren van driedimensionale voorwerpen op 'groot' en 'klein' (poppen, auto's, blokken etc.)
  • ook kan men het kind vormen laten sorteren (leg alles wat rond is bij elkaar, alles wat vierkant is etc.)
  • na het sorteren op een kenmerk (bijvoorbeeld op kleur) kan het kind gaan leren sorteren op twee kenmerken (bijvoorbeeld op kleur en vorm).

Om het kind gelijkenissen te leren zien tussen driedimensionale voorwerpen en tweedimensionale plaatjes kan men een foto maken van een bekend voorwerp en deze naast het voorwerp leggen, waarna men de overeenkomsten laat zien. Wanneer men het kind wil leren delen tot een geheel te maken kan het kind bijvoorbeeld het dak op het huis van blokken bouwen, of de armen en benen aan een pop bevestigen. Ook kan men het kind een tekening die niet klaar is af te laten maken (bijvoorbeeld een deur, ramen en een dak tekenen, of ogen, neus en mond bij een poppetje dat niet af is). Spelenderwijs benoemt de volwassene samen met het kind kleuren, eigenschappen en aspecten van dingen tijdens de dagelijkse bezigheden (opstaan, in de keuken, etc.). Bij het leren van ruimtelijke begrippen en motorische vaardigheden is het belangrijk uit te gaan van de beleving van het kind bijvoorbeeld tijdens het aanleren van begrippen als 'onder', 'boven', 'tussen', 'naast', het kind zelf onder de stoel door te laten kruipen of tussen de stoel en de tafel te laten staan.

Structuur: De rode draad bij het stimuleren

Tot slot willen wij nog eens de aandacht vestigen op het begrip structuur. Om de normale ontwikkeling te stimuleren is structuur nodig. Dit kwam ondermeer reeds naar voren bij mogelijke oplossingen die Rutter geeft voor de problemen die zich voordoen ten aanzien van de sociale ontwikkeling, de taalontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en het leerproces. Door een cognitief defect heeft het autistische kind aanvankelijk moeite met het begrijpen van wat er zich om hem heen afspeelt. Er lijkt sprake van een dysfunctie in de aandachtsprocessen en de informatieverwerking van nieuwe en onbekende stimuli. Hierdoor is het autistische kind niet in staat de verschillende prikkels uit de hem omringende wereld tot een zinvol geheel te integreren. Autistische kinderen missen de spontane gave om de essentie, de betekenis en zin, en de innerlijke logica van o.a. de taal en het sociaal gedrag te doorgronden. Men zal hen zoveel mogelijk moeten helpen om de zin, de essentie, die zij niet spontaan vinden, te concretiseren en zichtbaar te maken. Dit zichtbaar en concreet maken van een aantal abstracties (wat ook met betrekking tot de cognitieve ontwikkeling en het leren van belang is), is de essentie van wat men structuur noemt. Het autistische kind moet ordening aangereikt krijgen, zodat de wereld overzichtelijk wordt. Het heeft veel structuur, orde en regelmaat nodig. 'Even' de teugels laten vieren beantwoordt niet aan zijn behoefte. Dit betekent niet dat er geen variatie mag zijn en dat elke handeling op een en dezelfde wijze uitgevoerd moet worden. Onderscheid wordt gemaakt tussen structuur in ruimte en structuur in tijd. Door structuur aan te brengen in de ruimte, bijvoorbeeld een vaste plaats om te werken, duidelijk afgescheiden van het spelgebied, leert het autistische kind die plaats te associëren met dat bepaalde gedrag dat van hem vereist wordt. Het kind moet weten waar wat plaats heeft, het is van belang terugkerende aktiviteiten steeds op dezelfde plaats te verrichten. De ruimten waar het kind zich veel bevindt (woonkamer, klaslokaal) moeten zo overzichtelijk mogelijk ingericht zijn. Door structuur aan te brengen in de tijd, bijvoorbeeld een vaste volgorde van dagelijks terugkerende aktiviteiten in het gezin (die voor het kind visueel of concreet gemaakt wordt), wordt de omgeving van het autistische kind veiliger en meer voorspelbaar .

 


 

Het verminderen van de rigiditeit

Zoals in het begin van dit artikel al werd vermeld is een opvallend beperkt repertoire van activiteiten en interesses een kenmerk van autisme (DSM IV) . Autistische kinderen vertonen een extreem verlangen naar handhaving van dezelfde toestand, hetgeen zich uit in het angstvallig vastklampen aan bepaalde gewoonten, volgorden in handelingen, vaste routines, etc. Daarnaast bleek uit het voorafgaande dat het autistische kind als gevolg van een cognitief defect moeite heeft met het begrijpen van wat er zich om hem heen afspeelt. Het autistische kind is niet of nauwelijks in staat de verschillende prikkels uit de hem omringende wereld tot een zinvol geheel te integreren. Autistische kinderen begrijpen weinig van sociaal gedrag en taal en vertonen veel behoefte aan voorspelbaarheid en controleerbaarheid, waaraan in een vast dagschema en in vaste routines het meest tegemoet kan worden gekomen. Een constante omgeving vormt voor het autistische kind wellicht het grootste houvast om de chaos rond hem een zekere structuur te geven. Het autistische kind klampt zich vast aan van buiten geleerde starre patronen en kan enorm in paniek raken als er een detail in zijn omgeving verandert. Het kind heeft moeite met het begrijpen van de essentie. Het is afhankelijk van concreet waarneembare details en van de herhaling en de onveranderlijkheid van die details. Met behulp van deze details probeert hij grip op zijn omgeving te krijgen. Bepaalde handelingen/gedragingen worden geassocieerd met concrete details uit de omgeving omdat het autistische kind niet in staat is het grotere geheel te begrijpen. In tegenstelling tot andere kinderen die zich laten aanspreken door de wereld om hen heen en zich als het ware in het leven storten zo gauw als ze kunnen kruipen, staan of lopen blijft de autistische baby, peuter, kleuter zich vastklampen aan het vertrouwde en bekende. Stappen die in de normale ontwikkeling, van jongs af aan, als vanzelfsprekend genomen worden, kunnen bij autistische kinderen grote problemen opleveren. Deze weerstand tegen veranderingen kan zich reeds op jonge leeftijd manifesteren; het kind heeft bijvoorbeeld veel moeite met de overgang van borst naar flesvoeding, of reageert paniekerig als het niet langer in de wieg maar in een ledikantje wordt gelegd. Een relatief kleine verandering in meubilair of inrichting of de aankoop van nieuwe kleren kan het autistische kind in paniek doen geraken. Hoewel de weerstand tegen veranderingen bij een aantal autistische kinderen in de schoolleeftijd vermindert, blijft de wens naar onveranderlijkheid zich manifesteren. Met name uit dit zich in de problematische wijze waarop het kind reageert bij de overgang van de ene aktiviteit naar de andere. Zo heeft het kind op school moeite met de overgang van de ene taak naar de andere; het kind blijft als het ware aan de voorafgaande taak vastkleven, terwijl het al met de volgende taak bezig moet zijn. Het vernieuwen van kledingen schoeisel, meubilair in huis, en het met vakantie gaan blijven voor het schoolkind (en de ouders) grote problemen opleveren. De adolescentiefase wordt gekenmerkt door een uiterst rigide wijze van handelen en denken. Bepaalde handelingen worden altijd op dezelfde manier en in dezelfde volgorde uitgevoerd. Doorbreking van dit patroon kan tot driftbuien en/of paniek leiden. Er is ook sprake van een starheid in denken; van een flexibele aanpassing aan veranderingen is nauwelijks sprake. Met name de verstandelijk hoger begaafde autist is zeer gericht op details en eventuele afwijkingen daarin. De verstandelijk minder begaafde autisten uiten hun weerstand tegen veranderingen vooral bij wijzigingen in omgeving, van directe verzorgers en dergelijke. Alles moet volgens voorspelbare regels verlopen. Onverwachte dingen zoals een verlate maaltijd of een treinvertraging, kunnen een autist van zijn stuk brengen.

Handelingsadviezen met betrekking tot het verminderen van de rigiditeit.

Vermindering van deze rigiditeit is een belangrijk behandelingsdoel. Rutter spreekt bewust van vermindering in plaats van eliminatie, gebaseerd op de wetenschap dat de rigide gedragsstijl, die zo kenmerkend is voor het autistisch syndroom, niet echt kan verdwijnen maar wel kan verminderen. In zijn artikel geeft Rutter (1985) enkele algemene richtlijnen voor de behandeling:

 

  • Het 'graded change' principe, waarbij veranderingen stapsgewijs worden aangeboden. Hoewel autistische kinderen enorme weerstand vertonen tegen veranderingen in hun stereotiepe patronen en routines blijkt het mogelijk veranderingen aan te brengen. Dit is echter alleen goed te realiseren als een grote verandering in heel kleine stapjes wordt aangeboden. Naast praktische redenen is het voor het vergroten van de flexibiliteit van belang dat er kleine variaties worden aangebracht binnen de vaste structuur van het dagelijks leven. Men kan bijvoorbeeld de volgorde van bepaalde aktiviteiten veranderen, zoaIs wassen, tanden poetsen en aankleden, of niet altijd hetzelfde bord of dezelfde beker geven, de gebruikelijke route naar de bakker eens veranderen, etc. Rutter noemt een voorbeeld van een autistisch kind dat perse altijd en overal een grote deken bij zich wilde dragen; het kind hield de deken steeds vast en kwam nauwelijks aan andere aktiviteiten toe. De ouders werd aangeraden iedere nacht een miniscuul stukje van de deken te knippen. Na verloop van tijd bleven er slechts enkele draden over. Deze verandering gaf geen problemen; wel bleef het kind erg gehecht aan de paar draden en was het erg van streek als ze hem werden afgenomen.
  • Een duidelijk andere benadering is het aandacht besteden aan de kenmerken van de omgeving die stereotiep gedrag lijken te ontlokken of die de frequentie van het voorkomen van het stereotiepe gedrag verhogen. Door middel van systematische observatie en 'uitproberen' kan men per individu de aspecten die het stereotiepe gedrag lijken uit te lokken trachten te achterhalen. Het blijkt echter vaak dat stereotiep gedrag het meest voorkomt in een sombere, saaie, weinig stimulerendeomgeving. In de behandeling van autistische kinderen is het daarom van groot belang dat deze kinderen actief betrokken worden bij werk en spel, goed(e) en geschikt(e) speelgoed en aktiviteiten aangeboden krijgen en volop de mogelijkheid hebben tot gestructureerde persoonlijke interacties.
  • Tot slot kan het zoeken naar alternatief gedrag of aktiviteiten die onverenigbaar zijn met stereotypieën een middel zijn om het stereotiepe gedrag te verminderen. Zoals in het voorgaande reeds duidelijk is geworden is het rigide stereotiepe gedrag van het autistische kind vaak terug te brengen op een poging orde aan te brengen in zijn chaotische wereld. Het is dus van belang het leven van het kind (en van het gezin) zodanig in te delen dat het kind orde en regelmaat heeft. Veranderingen dienen stapsgewijs ingevoerd te worden. Voor kinderen met een beperkt taalbegrip kan men de verandering visueel maken met behulp van plaatjes of foto's. Een voorbeeld hiervan is dat men plaatje of foto's in een rij plakt die de dagelijkse aktiviteiten van het kind weergeven (opstaan, ontbijt, naar school, etc.). Wanneer er iets verandert, het kind gaat bijvoorbeeld voortaan twee keer in de week naar zwemles, plakt men er een plaatje van een zwembad bij. Naast het bieden van regelmaat en voorspelbaarheid is het soms noodzakelijk het dwangmatige, stereotiepe gedrag te verbieden. Dit geldt met name wanneer het leven van de rest van het gezin wordt verstoord, of wanneer het kind er zelf door wordt belemmerd in zijn ontwikkeling. Belangrijk is niet alleen stelselmatig het stereotiepe, dwangmatige gedrag te verbieden maar ook tegelijkertijd een alternatief aan te bieden. Een voorbeeld hiervan is dat een kind niet mag slingeren met de planten en schilderijen, maar wel met de bal die aan een koord aan het plafond hangt. Het is voor ouders vaak erg moeilijk niet mee te gaan in de starre manier van doen van het kind, omdat doorbreking van dit gedrag dikwijls tot drift- en gilbuien leidt. Toch worden er uiteindelijk goede resultaten behaald als men consequent optreedt en volhoudt, ook al vergt dit soms een lange adem. Een andere mogelijkheid is het zoeken naar een compromis: men kan bijvoorbeeld vaste gewoonten van het kind toestaan die niet hinderlijk zijn voor anderen en die het kind niet belemmeren in zijn ontwikkeling (b.v. het kind dat een geliefd voorwerp perse op een vaste plek wil leggen). Ook hier kan men gebruik maken van structuur in ruimte en structuur in tijd. Bij structuur in ruimte kan men denken aan het toestaan van het stereotiepe rigide gedrag in bepaalde ruimten. Het kind dat veel springt, moet leren dat het alleen op de trampoline in zijn kamer mag springen. Het kind dat perse zonder broek wil lopen, mag dat alleen in de slaapkamer doen. Bij structuur in tijd kan men denken aan het toestaan van het ongewenste gedrag gedurende een bepaalde tijd. Daarvoor en daarna wordt het gedrag niet toegestaan.

Non-specifieke gedragsproblemen

Eén van de door Rutter onderscheiden behandelingsdoelen werd geformuleerd als "het elimineren van de niet-specifieke gedragsproblemen". In dit hoofdstuk zullen een aantal van deze niet-specifieke gedragsproblemen worden besproken. We beginnen met een korte beschrijving van een aantal gedragsproblemen die bij autistische kinderen kunnen voorkomen, waarna 'per gedragsprobleem' enkele handelingsadviezen worden gegeven.

Slaapproblemen

Veel autistische kinderen hebben last van slaapproblemen. Zij hebben grote moeite met inslapen, worden 's nachts vaak wakker, en houden de ouders en eventuele broertjes en zusjes door huilen gilpartijen uit hun slaap. Soms is er sprake van een verstoord dag- en nachtritme: het kind lijkt 's nachts het meest aktief terwijl het overdag moeilijk tot enige aktiviteit te brengen is. Het is niet eenvoudig te achterhalen wat de oorzaak van de slaapproblemen is. Zo kan het zijn dat het kind angstig is en niet durft te slapen. Ook is het mogelijk dat de aandacht die de ouders het kind 's nachts geven, belonend werkt. Er ontstaat dan een patroon van aandacht vragen en aandacht geven dat vooral bij autistische kinderen moeilijk te doorbreken is.

Handelingsadviezen met betrekking tot slaapproblemen

Om slaapproblemen te verminderen c.q. te reguleren is het van belang het autistische kind te kalmeren wanneer het angstig is. Wiegen, zingen en een lichtje laten branden kunnen angst en paniek doen verminderen. Het is van belang na te gaan voor welke lichtsterkte het kind de voorkeur heeft; slaapt het beter in een heel donkere kamer of juist in een kamer waar het nog wat kan zien? Soms helpt het als het kind wordt afgeleid, soms werkt het tegenovergestelde en is het beter om het probleem gedrag te negeren. Dit laatste vergt een zeer consequente aanpak; het blijkt erg moeilijk te zijn niet naar het kind toe te gaan als het 's nachts huilt of gilt. Men is vaak bang dat er echt iets met het kind aan de hand is, dat broertjes, zusjes en eventuele buren er wakker van worden, etc. Wanneer er sprake is van een verstoord dag- en nachtritme kan men proberen hierop aan te sluiten door het kind 's nachts in een 'speel- en slaapbox' te laten slapen. Het kind kan daar niet uit, maar heeft wel de mogelijkheid om wat te spelen. Als het kind ouder is, kan het leren dat het wel 's nachts uit bed mag, maar in de slaapkamer moet blijven. Het is van belang dat het gewenste gedrag wordt beloond. Ook kan men afspreken om de nacht 'dienst' te hebben; om de beurt een nacht slapen en een nacht met het kind bezig zijn. Als er extra hulp wordt ingeroepen moet het kind met deze hulp in contact gebracht worden als een van de ouders er bij is. Om een maandenlange reeks van slapeloze nachten te doorbreken is het soms onontkoombaar het kind, onder begeleiding van een arts, slaapmiddelen te geven.

Eetproblemen

Lorna Wing (1981) noemt twee aspecten die een rol spelen bij voedingsproblemen. Ten eerste hebben sommige autistische kinderen moeite met de controle van de spierbewegingen die bij het kauwen betrokken zijn. Zij weten niet hoe ze vast voedsel moeten verwerken en worden afgeschrikt door brokken die te groot of te hard voor hen zijn om te kunnen worden gekauwd. Het tweede aspect betreft de weerstand die autistische kinderen tegen veranderingen vertonen en hun neiging om zich vast te klampen aan een bepaalde gang van zaken. Een autistisch kind staat argwanender tegenover onbekend voedsel dan een ander kind. Het kind heeft vaak een sterke voorkeur voor bepaald voedsel (het eet alleen pannekoek, pizza of patat) of voor een bepaald soort voedsel, bijvoorbeeld vloeibaar of vast. De overgang van vloeibaar naar vast voedsel kan soms zeer moeizaam verlopen. Dit geldt ook voor eet- en drinkgerei: is een kind eenmaal gewend aan een bepaalde fles of beker dan weigert het vaak uit een andere fles of beker te drinken.

Handelingsadviezen met betrekking tot eetproblemen

Om eetproblemen te verminderen kan men met het kind oefeningen doen ter coördinatie van de tong- en mondbewegingen. Dit geldt met name voor de kinderen die hun voedsel nooit kauwen. Voorbeelden van dergelijke oefeningen zijn bellen blazen, een watje wegblazen of op de lippen aangebrachte zoetigheid met het puntje van de tong in de mond brengen. De kauwbewegingen kan men voordoen (laten voelen) door de onderkaak van het kind op en neer te bewegen om het kind een indruk te geven van deze beweging. Daarna kan men samen met het kind de lepel nemen en naar de mond van het kind brengen. Sommige autistische kinderen reageren gevoelig op alles in en rondom hun mond. Men kan trachten het kind geleidelijk te laten wennen aan een speen of een zacht lepeltje in zijn mond. Wanneer het kind zich verzet tegen nieuw voedsel, kan men het nieuwe voedsel mengen met wat het kind lekker vindt. Dit kan in kleine stappen worden uitgebreid, het kind krijgt steeds meer van het nieuwe voedsel. Ook kan men er in volharden dat het kind eerst een zeer kleine hoeveelheid nieuw voedsel eet, voordat het eten krijgt wat het wel lekker vindt. Dit vraagt echter een vastberaden optreden van de ouders. Bij kinderen die enig woordbegrip hebben kan het helpen om iets nieuws te introduceren door het met woorden te koppelen aan reeds bekend voedsel. Het is van belang als een kind niet wil eten eerst na te gaan of het kind niet ziek is. Is dit niet het geval, dan moet men niet voortdurend de aandacht op het kind richten tijdens de maaltijd om te kijken of het al dan niet eet; dit werkt namelijk belonend (in de vorm van aandacht en bezorgdheid). Het is belangrijk niet de hele dag te blijven dwingen om iets te eten, of tussendoor steeds koekjes te geven en dergelijke. Alleen op etenstijd moet men het kind eten geven, waarbij kleine hoeveelheden de voorkeur hebben. Wat het kind niet opeet na de maaltijd weghalen zonder commentaar. Soms helpt het als men het kind meer betrekt bij het eten; het mag zelf kiezen wat het op zijn beschuit wil, zelf boter op zijn beschuit smeren, 'helpen' met koken e.d. Het kind kan men stimuleren zelf te eten door hem aan te moedigen, en zonodig zijn hand te pakken en naar zijn mond te brengen. Wanneer eetproblemen zeer ernstige vormen aannemen is medische behandeling vereist. Ook is het mogelijk met hulp van een diëtiste of arts de voeding van het kind te verrijken met aanvullende bouwstoffen zodat het in ieder geval de noodzakelijke voedingsstoffen binnen krijgt.

Drift- en gilbuien

Jonge autistische kinderen hebben vaak driftbuien omdat zij niet over woorden beschikken waarmee zij kunnen vragen om de dingen die zij willen hebben. Zij kunnen krijsen om snoepjes, koekjes of ijsjes, om het een of andere voorwerp waar zij op dat moment belangstelling voor hebben, of omdat een vaste gang van zaken verstoord is. Bovendien is het voor autistische kinderen als gevolg van hun geringe communicatievaardigheden vaak niet mogelijk het de ander duidelijk te maken als zij zich niet prettig voelen, onrustig zijn of zich ziek voelen. Dit kan het kind in hoge mate frustreren. Soms ook ontstaat er 'zomaar' een driftbui. Vaak is men geneigd met het probleem af te rekenen door het kind iets te geven om het te sussen en te kalmeren, omdat men uit ervaring weet dat de driftaanval lang kan duren. Het kind leert op deze manier dat de snelste manier om zijn zin te krijgen uit krijsen, schreeuwen en schoppen bestaat.

Handelingsadviezen met betrekking tot drift- en gilbuien

Bovengenoemd gedragsprobleem wordt mede beïnvloed door het aktiviteitsniveau van het kind. Zo zijn er autistische kinderen met een laag aktiviteitsniveau, die vaak als lieve, rustige (te rustige) kinderen beschreven worden. Overaktieve autistische kinderen vertonen daarentegen constante onrust, huilperioden, veelvuldige driftbuien en destructief gedrag. Het is belangrijk om het kind niet zijn zin te geven als het een driftbui heeft; doet men dit wel dan wordt het kind beloond voor zijn negatieve gedrag. Het gevaar bestaat dat het een vast ritueel voor het kind gaat worden. Deze consequente aanpak eist veel van ouders, vooral als het kind buitenshuis een driftbui krijgt. Als een kind bijvoorbeeld in een winkel gaat gillen is de enige oplossing het daar zo snel mogelijk weg te halen. Thuisgekomen kan men het beste het schreeuwen negeren.
Een mogelijkheid is om het kind in een andere kamer te zetten als het daar tenminste geen kwaad kan doen (TimeOut). Naast de 'afkoelfunctie' die de timeout heeft, heeft het van ruimte wisselen het voordeel dat het kind deze nieuwe ruimte minder sterk associeert met de reden van de driftbui dan de ruimte waarin de driftbui ontstond. Zodra de driftbui ophoudt dient men het kind veel aandacht te geven en te belonen (bijvoorbeeld favoriete plaat draaien, iets lekkers eten of drinken, etc.). Negeren en daarna pas belonen vergt wel stalen zenuwen. Soms wordt het probleem eerst erger voordat het beter wordt. Het gebrek aan aandacht voor de driftbui kan ervoor zorgen dat de bui 'verdubbelt' voordat ingezien wordt dat het echt 'niet werkt'. Men moet dus niet te snel stoppen. Wanneer negeren niet mogelijk blijkt, kan men proberen het kind af te leiden of het een alternatief aan te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van nieuw, voor het kind interessant speelgoed of spelmateriaal. Het duidelijk stellen van regels, en/of het afkappen van het negatieve gedrag, bijvoorbeeld door een tik op de vingers kan een positief effect hebben. Sommige kinderen blijken te kalmeren als men hen fluisterend benadert; dit heeft meer effect dan juist harder gaan praten. Soms is het beter een driftbui te voorkomen; dit kan onder andere door niet teveel en te moeilijk spelmateriaal aan te bieden, dat wil zeggen rekening houden met het niveau van het kind; het kind niet te stimuleren als het geen zin heeft, het kind te helpen als het om hulp vraagt, en door wijziging of onderbreking van het spel door het kind bijvoorbeeld iets anders aan te bieden (anticiperen op driftbui). Tevens is het van groot belang positief gedrag te belonen, bijvoorbeeld in de vorm van aandacht geven. Tot slot hoeft een overdreven reactie niet altijd een echte driftbui te zijn maar kan het een teken zijn dat het kind met geen mogelijkheid aan het gevraagde kan voldoen. De eis of de strategie dient dan te worden veranderd.

Angsten

Autistische kinderen zijn vaak extreem angstig, dikwijls voor dingen of gebeurtenissen waar een ander kind in het geheel geen angst voor vertoont. De angsten zijn onvoorspelbaar en voor anderen oninvoelbaar. Zo noemen
Van Berckelaer-Onnes en Van Engeland (1986) als voorbeeld angst voor het getal 5 en de angst voor de kleur rood. De angsten uiten zich in paniekreacties, gepaard gaande met driftbuien en niet te bedaren huilbuien. Het zijn vaak moeilijk te hanteren situaties omdat men het kind niet kan troosten, noch de angst weg kan nemen door geruststellende woorden. De angsten nemen doorgaans in de lagere-schoolleeftijd af; door de dagelijkse omgang met het kind heeft men een beter inzicht in de achtergrond van de angsten. Bovendien is het begripsvermogen van het kind vergroot waardoor het mogelijk wordt dingen uit te leggen. In de puberteit krijgen de angsten meer het karakter van paniekreacties. Soms breekt paniek uit naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis (bijvoorbeeld een verhuizing, verandering van leefgroep), soms ook zonder een voor een buitenstaander aanwijsbare reden. In tegenstelling tot kinderen die hun ouders kunnen vertellen waar zij bang voor zijn, hebben autistische kinderen geen mogelijkheid om te vragen om hulp. Nare gebeurtenissen sterken hen in hun angst voor de wereld en in hun weerstand tegen elke verandering. Het gedrag dat aanvankelijk werd veroorzaakt door angst kan nog lang nadat die angst is verdwenen als een vaste gewoonte in stand worden gehouden. Angst wordt vaak verklaard vanuit het zwakke integratievermogen van autistische kinderen. Zij hebben moeite met het leggen van verbanden. Doordat het één niet zondermeer verwijst naar het ander blijven er vele onduidelijkheden bestaan die angstaanjagend zijn. Voor een autistisch kind hoeft bijvoorbeeld het geluid blaffen niet automatisch naar een hond te verwijzen.

Handelingsadviezen met betrekking tot angsten

Men kan proberen het kind uit de angst te halen door bijvoorbeeld muziek of door zachtjes en daarna steeds doordringender de naam van het kind te zeggen. Ook helpt het soms het kind te wiegen of het duidelijk en simpel uit te leggen wat er aan de hand is door het verwoorden van gevoelens en van wat er gebeurt. Men kan het kind het verband tussen het een en het ander laten zien zodat de angst afneemt. De angsten van het kind kunnen 'uitgespeeld' worden: men kan samen met het kind boekjes bekijken of spelmateriaal kiezen over het voorwerp of de situatie die angst oproept (bijvoorbeeld de pop in bad doen, de stofzuiger uit elkaar halen, etc.). Tevens kan het visueel maken van de situatie die bij het kind angst oproept een rustgevende uitwerking hebben. In plaatjes wordt stap voor stap weergegeven wat er gaat gebeuren; steeds als er een onderdeel klaar is kan het kind dat plaatje om draaien. Afleiding in de vorm van boeiend spelmateriaal kan soms helpen de angst te verminderen. Verder is het van belang het kind langzaam, in kleine stappen, te laten wennen aan veranderingen, en het er goed op voor te bereiden. Bij angst moet men de beslissing nemen om het kind er langzaam aan bloot te stellen in combinatie met iets prettigs of het kind direct te laten zien dat er niets is om bang voor te zijn. Ook kan men de situatie vermijden en in een later stadium proberen de daarmee samenhangende angst te overwinnen. Indien men de oorzaak van de angst weet en het mogelijk is het angstaanjagende object, de angstaanjagende aktiviteit te vermijden, wordt door Van Berckelaer-Onnes en Van Engeland (1986) geadviseerd het object of de aktiviteit zoveel mogelijk te ontwijken. Als dat niet mogelijk is, moet door alle betrokkenen eenzelfde benadering worden gevolgd, iets waar het kind gevoelig voor is en waardoor het tot rust kan komen (wiegen, op schoot nemen, etc.). Veel ouders geven aan, dat hun kind bang is voor harde geluiden (stofzuiger, boormachine, vaatwasmachine). Oorbeschermers, die te koop zijn in 'doe het zelf'-zaken, kunnen een oplossing bieden. Het kan een kind een veilig gevoel geven als het weet dat het de oorbeschermers eventueel op kan doen.

Zindelijkheidsproblemen

De meeste kinderen worden in de peuterleeftijd zindelijk. Met zindelijk worden en zijn wordt bedoeld dat het kind willekeurige beheersing en controle over zijn blaas- en darmfunctie heeft verkregen. Voor deze beheersing is allereerst vereist dat het kind een bepaalde mate van fysiologische rijpheid heeft. Toename en stabilisering van de controle en beheersing over darm en blaas heeft tijd nodig. De houding van ouders speelt hierbij een belangrijke rol; een dwingende houding en strijd om het zindelijk worden kunnen het proces van zindelijk worden verlengen en compliceren. Slechts weinig peuters willen bewust onzindelijk blijven; de onplezierige gevoelens die een natte of vuile broek geeft, de behoefte om erbij te horen en de interesse in het 'afgeleverde product' zullen het verlangen van het kind opwekken om een potje of de wc te gebruiken. Sommige autistische kinderen worden opdezelfde leeftijd zindelijk gemaakt als het gemiddelde kind. De meeste autistische kinderen worden echter laat zindelijk; 80-90 % van de autistische kinderen is pas op 4-jarige leeftijd aan zindelijkheidstraining toe. Ook hier ontgaat hen vaak het 'oorzaak-gevolg' principe, terwijl veel autistische kinderen tevens angstig zijn van wc's of po's.

Handelingsadviezen met betrekking tot zindelijkheidsproblemen

Om de zindelijkheid te bevorderen is het belangrijk dat het kind begrijpt wat de bedoeling is; men kan het kind met behulp van een pop en boekjes laten zien hoe het gaat. Men kan de handelingen begeleiden met eenvoudige korte zinnetjes. Tevens dient men de 'training' in kleine stapjes uit te breiden. Zo is het beter het kind elk uur niet langer dan vijf minuten op de po of de wc te zetten. Men begint met belonen als het kind blijft zitten, daarna beloont men als het kind vijf minuten blijft zitten. Als het geen resultaat heeft, dient men zich van commentaar te onthouden. Op momenten dat men iets kan verwachten zet men het kind op de po of de wc (voor de maaltijd, na het opstaan, etc.). Vaste tijden geven het kind duidelijkheid en steun. De vorderingen kan men op een kaart bijhouden. Het kind mag een plaatje op de kaart plakken als het succes heeft. Het is handig om het tijdstip of de situatie van de 'ongelukjes' op te schrijven om te zien wanneer het kind behoefte heeft om wc te gaan. Men doet er het beste aan geen drukte te maken over ongelukjes. Natte of vuile luiers dient men zo snel mogelijk te verwisselen zodat het kind er niet aan gewend raakt en zich niets meer aantrekt van het ongemak daarvan. Sommige kinderen hebben een hekel aan pot of wc en zijn er zelfs bang voor. Het is de moeite waard uit te zoeken of en waarom zij zich onzeker voelen. Tevens is het belangrijk het kind met deze voorwerpen vertrouwd te maken en het eraan te laten wennen. Men kan het kind bijvoorbeeld eerst met het potje laten spelen door het kind er kleine voorwerpen in te laten stoppen, door er water in te doen, etc. Men kan een stoeltje met pot kopen, dat stevig staat en waarop het kind gemakkelijk zit. Een gewone closetpot kan voor een klein kind te hoog zijn, en dan kan iets waarop het zijn voeten kan zetten zeer nuttig zijn. Een erg koude wc-bril kan al voldoende zijn om sommige kinderen te hinderen. Een andere manier is, voor zover mogelijk, mee te gaan in de gewoonte van het kind, dat wil zeggen in te spelen op het voor het kind gevonden systeem. Een voorbeeld hiervan is het kind dat altijd op de vloer drukt als het uit bed komt. Het beste kan men hier in eerste instantie in meegaan en zorgen dat er papier of iets dergelijks ligt om de behoefte op te vangen. Langzamerhand kan men proberen op die plek een potje neer te zetten. Ook met geduld en volharding kan het lang duren voordat een autistisch kind zindelijk is.

Zelfverwondend gedrag (automutilatie)

Bij zelfverwondend gedrag gaat het om herhaaldelijk voorkomende gedragspatronen, die fysiek letsel aan het lichaam van de persoon zelf teweegbrengen. Het is een gedragsprobleem dat regelmatig voorkomt bij autistische kinderen, in de vorm van zichzelf krabben, bijten en hoofd bonken. Hoewel er nog niets met zekerheid bekend is omtrent de onderliggende verklaring(en) voor zelfverwondend gedrag bestaan er verschillende veronderstellingen. Zo stelt
Lorna Wing (1981) dat dit gedragsprobleem zich met name voordoet wanneer het kind niets te doen heeft (een vorm van zelfstimulatie). De oplossing bestaat er volgens haar hoofdzakelijk uit dat de dag van het kind zodanig wordt ingedeeld, dat het voortdurend iets te doen heeft. Anderen, die als basisdefect bij autisme een stoornis in het begrijpen van de betekenis van de prikkels veronderstellen, brengen zelfverwondend gedrag in verband met de verwarring en de frustratie die de kinderen ervaren omdat zij zo weinig van de taal en van de wereld begrijpen. Daarnaast zijn er verklaringen waarbij ervan uitgegaan wordt dat automutilatie een aangeleerd gedrag is, dat misschien uitgelokt is door een stressvolle of emotionele gebeurtenis en dat in stand wordt gehouden doordat het kind er aandacht door krijgt of er onplezierige situaties (onder andere eisen die gesteld worden) door kan vermijden. Voor de behandeling is het van belang onderscheid te maken tussen vormen van zelfverwondend gedrag die gecontroleerd worden door de omgeving van het autistische kind (onder andere aandacht krijgen, onprettige situaties vermijden), en andere vormen die hun oorzaak vinden in het kind zelf (zelfstimulatie, afwering van prikkels).

Handelingsadviezen met betrekking tot zelfverwondend gedrag

Om zelfverwondend gedrag te verminderen is het van belang het kind duidelijke regels te geven. Het gedrag dient men te verbieden; er moet worden gezocht naar een meer adequate en minder schadelijke wijze waarop het kind zijn onlustgevoelens kan uiten. Wanneer het kind zichzelf verwondt, kan men dit afkappen door de hand van het kind vast te pakken. Bij sommige kinderen helpt het als men hun reactie op het zelfverwondend gedrag verandert. Men creëert bijvoorbeeld bij een aktiviteit aan tafel (b.v. een geliefd spel van het kind) een zodanige opstelling, dat het kind met zijn hoofd tegen de muur achter zich kan bonken. Zodra het bonken begint, trekt de volwassene het materiaal naar zich toe en draait zichzelf ongeveer tien seconden weg. Daarna draait de volwassene zich weer om en geeft het materiaal aan het kind terug. De volwassene prijst het kind als het begint te werken; de taak mag niet onderbroken worden. Een andere manier is om, zodra het kind begint te bonken, de stoel van het kind naar achteren te trekken zodat zijn lichaam uit het evenwicht raakt, hetgeen een onaangename ervaring is. Het kind zal zich langzamerhand realiseren waarom de stoel achteruit wordt getrokken (de drang om te bonken wordt tegengegaan). Wanneer het kind zichzelf in het gezicht slaat, kan men de wangen van het kind in de handen houden en zeggen "sla niet". Het zelfverwondend gedrag wordt zo onderbroken; daarna laat men het kind los en helpt het met waar het mee bezig was. Ook kan men door voordoen en herhalen het kind leren zelf zijn handen op de rug te houden. Tijdens de maaltijd kan men een hand van het kind vasthouden en met de andere hand het kind laten eten. Het gevaar bestaat dat het kind het zelfverwondend gedrag als machtsmiddel gaat gebruiken; kleine eisen moet men daarom doorzetten. Het zelfverwondend gedrag kan ook een uiting zijn van zich terug te willen trekken. In zo'n geval kan men gelegenheid bieden tot afzondering door het kind bijvoorbeeld een donsdeken te geven. Dit is moeilijk te interpreteren; vaak leert men door 'uit te proberen' en door ervaring waar het kind op zo'n moment het meest behoefte aan heeft. Tot slot moet worden opgemerkt dat men soms kan volstaan met het verwoorden van de aanleiding of de oorzaak, het geruststellen van het kind door wat te neuriën of te zingen, door het kind geborgenheid te schenken of af te leiden. Een voorbeeld van dit laatste is het aanbieden van een altematief: men laat het kind met een stuk hout op een plank slaan ter vervanging van de automutilatie. Beschermende kleding, bijvoorbeeld een helm, handschoenen of een pak uit een stuk zijn soms noodzakelijk om het kind te beschermen. De kleding moet uitgetrokken worden op momenten waarbij weinig kans is op zelfverwonding. Het kapotmaken van huishoudelijke voorwerpen, speelgoed en meubilair vormt voor vele ouders een ernstig probleem. Autistische kinderen kunnen niet constructief spelen en houden zichzelf dikwijls bezig met het onderzoeken van de min of meer toevallige eigenschappen van de dingen om zich heen. Zo merken zij al vlug dat papier (ook boeken en behang) kan scheuren en dat harde dingen lawaai maken als je ze tegen de grond gooit en een nog leuker geluid maken als ze breken. Speelgoed wordt zelden in zijn functionele betekenis gebruikt; het kind is vaak gericht op een detail van het object; de totaliteit gaat aan hem voorbij. Opgemerkt moet worden dat het bij autistische kinderen er niet om gaat moedwillig iets te vernielen. Het vloeit eerder voort uit een stereotiepe wijze van omgaan met materiaal: papier wordt verscheurd, aan planten wordt getrokken, met vocht wordt gespetterd, etc.

Handelingsadviezen met betrekking tot destructief gedrag

Zand, water en modder doen in de tuin weinig kwaad. Maak een apart hoekje voor het kind zodat andere planten en bloemen beschermd worden. Bij gebrek aan een tuin of in de winter kan het handig zijn om een bepaalde kamer te arrangeren waar het kind ongestraft troep kan maken. Men kan er het beste grote, sterke en simpele voorwerpen in zetten, die prettig aanvoelen en waarmee het kind kan rondzeulen. Ook kan er een bak met zand en wat water in deze kamer gezet worden zodat het kind lekker kan kliederen. De rest van het huis is voor klieder- en knoeispelletjes verboden terrein. Als het kind op zodanige wijze met het materiaal omgaat dat het kapot gaat moet er, indien mogelijk, steeds iemand zijn die toezicht houdt. Het kind moet leren dat het alleen in die ene kamer mag kliederen (structuur in ruimte). De nachten kunnen een extra probleem opleveren. De slaapkamer van het kind moet daarom veilig zijn. De beste manier om destructief gedrag te verminderen is het kind proberen te interesseren voor meer constructieve bezigheden. Dit kost echter tijd. Sommige autistische kinderen hebben de neiging om iets wat een beetje kapot is helemaal te vernielen. Het is van belang het kind te laten zien dat veel kapotte zaken nog hersteld kunnen worden. Men kan samen met het kind dingen proberen te repareren. Ook door een bezoek aan reparateurs als een monteur, een meubelmaker of een juwelier kan het kind leren dat iets wat kapot is vaak nog gemaakt kan worden.

Gevaar/last voor anderen

Bij dit gedragsprobleem kan men bijvoorbeeld denken aan het 'plagen' (door het gebrek aan sociaal inzicht kan men eigenlijk niet van opzettelijk plagen spreken), knijpen en bijten van anderen, problematisch gedrag in het openbaar en imitatief gedrag. Met name de laatste twee gedragsproblemen zijn terug te voeren op het beperkte sociale inzicht van autistische kinderen. Zij hebben een gebrekkig besef van sociale conventies en taboes, en schromen niet om bijvoorbeeld in het openbaar zich van kledingstukken te ontdoen en een plas te doen, of luid opmerkingen over andere mensen te maken. Deze opmerkingen betreffen vaak niet de mensen zelf maar details die het kind opvallen. Voor ouders kan dergelijk gedrag pijnlijke situaties opleveren en hen doen besluiten het kind zoveel mogelijk thuis te houden. Dit is echter een onbevredigende oplossing omdat het kind dan niet langer de gelegenheid heeft om uiteindelijk te leren zich behoorlijk te gedragen. Hoewel problemen als driftbuien, onaangepast gedrag in een winkel en weglopen bij het ouder worden verminderen, doen zich bij het kind dat ouder is en kan praten weer andere problemen voor. Zo kan de gewoonte van de kinderen om woorden en zinnetjes die zij in het verleden hebben gehoord na te zeggen (= uitgestelde echolalie) tot onaangename gevolgen leiden. Ouders moeten vooral voorzichtig zijn met de dingen die zij zeggen waar het kind bij is, als zij dit niet herhaald willen horen met precies dezelfde beklemtoning en intonatie.

Handelingsadviezen met betrekking tot gevaar/last voor anderen

Wat betreft agressief gedrag jegens anderen, zoals bijten, knijpen en slaan is het van belang dit gedrag onmiddellijk af te breken. Dit kan bijvoorbeeld door een tik op de vingers te geven of door datgene wat het kind bij een ander doet terug te doen. Afleiding, door bijvoorbeeld het aanbieden van een alternatief kan het 'plagen' doen verminderen. Als het autistische kind een ander kind bijt, kan men het kind in de hoek op een stoel zetten met het gezicht naar de muur. Het kind wordt vervolgens ongeveer 15 seconden genegeerd waarna het weer in de oorspronkelijke situatie wordt teruggebracht. Het beste doet men alsof er niets gebeurd is (time-out, zie ook eerder in dit artikel). Wanneer het kind een tijdje met een ander kind speelt zonder het problematische gedrag te vertonen, dient dit positieve gedrag beloond te worden. Het is daarbij van belang dat de beloning voor het kind echt belonend werkt, dus aangepast is aan zijn ontwikkelingsniveau en zijn (soms bizarre) belangstelling (Peeters, 1984). Het autistische kind kan stapsgewijs leren in een groepje kinderen te functioneren. Onder toezicht kan men het kind in aanraking laten komen met een ander kind; langzamerhand kan het groepje uitgebreid worden. Als het autistische kind het andere kind in een bepaalde rol wil hebben (bijvoorbeeld 'voorwagon' spelen) waar dat kind niets voor voelt, kan de volwassene meespelen in plaats van het kind dat niet wil. Ook kan men het kind een alternatief geven. In dit geval bijvoorbeeld een trekkar. Wat betreft het ombuigen van imitatief gedrag kan men gebruik maken van structuur in tijd (bijvoorbeeld alleen tijdens theetijd iemand nadoen) en van structuur in ruimte (alleen binnenshuis bijvoorbeeld). Tevens kan men trachten de neiging van het kind anderen na te doen om te buigen in iets functioneels: het kind krijgt de opdracht om een ander te imiteren. Het even meegaan in het gedrag en het dan ombuigen. En het als ouder nadoen van het kind zelf blijken soms ook middelen te zijn om het imitatief gedrag te verminderen.

Tot slot moet op deze plaats aandacht worden besteed aan het gebrek aan angst voor werkelijke gevaren. In tegenstelling tot de oninvoelbare, irreële angsten van autistische kinderen tonen zij vaak geen angst voor werkelijke gevaren. Door hun beperkt begrip op sociaal en cognitief gebied hebben autistische kinderen geen inzicht in gevaar; zij zijn zich daar niet van bewust. De moeilijkste periode ligt tussen de twee en de vijf jaar. De kinderen worden zich in het algemeen beter bewust van gevaar naarmate zij ouder worden. Doordat hun begripsvermogen groter wordt, is het mogelijk dingen beter uit te leggen. Voor ouders is het een moeilijke opgave hun kind regels bij te brengen (bijvoorbeeld uit de buurt blijven van vuur, gas, electriciteit; waarschuwen voor andere gevaren in het dagelijks leven, etc.) omdat een autistisch kind moeite heeft om regels toe te passen in nieuwe situaties (het kind leert immers context-gebonden, zie eerder in dit artikel). Een voorbeeld hiervan is het kind dat thuis zijn hand brandt aan de hete oven en niet beseft dat het ook niet aan de oven bij anderen moet komen (het kind legt dit verband niet). Het is van belang zoveel mogelijk te voorkomen dat het kind in gevaarlijke situaties terecht komt; het kind moet steeds goed in de gaten worden gehouden. Men kan bronnen van gevaar binnens- en buitenshuis nagaan en zonodig voorzorgsmaatregelen treffen (bijvoorbeeld een aantal deuren in huis op slot doen, het raam in de kamer van het kind beveiligen, etc.). Tevens is het belangrijk de regels die men het kind leert veel te herhalen en het gewenste gedrag te belonen. Soms werkt het verhelderend wanneer men gevaarlijke situaties uitspeeIt met behulp van poppen, dieren en auto's (denk bijvoorbeeld aan een verkeerssituatie).

Sexuele problemen

In het algemeen verloopt de sexuele ontwikkeling bij autistische kinderen vertraagd, met name bij jongens. Hun belangstelling voor sexualiteit blijft lange tijd onrijp en kinderlijk. Toch is, nadat de puberteit eenmaal is begonnen, de hantering van sexuele gevoelens voor autistische adolescenten een groot probleem, met name bij hen die thuis wonen. Het ontwikkelen van sexuele gevoelens en verlangens kan bij autistische adolescenten grote problemen opleveren; taboes rondom sexualiteit en lichamelijke aanraking lijken hier een rol te spelen. Peeters(1984) wijst op het belang van het feit dat de begeleiders tijdig de toekomstige sexuele ontwikkelingen met de ouders bespreken: Als de dialoog over sexualiteit opgang komt voor de adolescentiejaren, zijn de ouders tenminste enigszins voorbereid als ze de sexualiteit manifest zien worden. Hoewel er tot nu toe relatief weinig aandacht besteed is aan sexualiteit bij autistische adolescenten en volwassenen, zijn er inmiddels enkele programma's ontwikkeld ter begeleiding van de sexuele ontwikkeling van bovengenoemde groep. De programma's zijn doorgaans praktisch en educatief gericht, waarbij onder andere de volgende onderwerpen aan bod komen: identificatie van lichaamsonderdelen, omgaan met de menstruatie bij meisjes, masturbatie, persoonlijke hygiëne en sociaal gedrag met betrekking tot sexualiteit.

Handelingsadviezen met betrekking tot sexuele problemen

Masturbatie kan bij autistische adolescenten een probleem vormen. Hun gebrek aan inzicht in menselijke verhoudingen kan er toe leiden dat zij in het openbaar masturberen, in het bijzonder als zij niets te doen hebben en zich vervelen. Dit zal op dezelfde wijze moeten worden tegengegaan als elk ander ongewenst gedrag dat verband houdt met de omgang met anderen. De adolescent moet leren waar hij mag masturberen en waar niet, omdat andere mensen iemand die zich zo gedraagt niet accepteren. De menstruatie begint binnen dezelfde leeftijdsgrenzen als die voor andere meisjes. Het autistische meisje moet dit leren kennen als iets dat normaal is en er gewoon bijhoort. De verzorging tijdens de menstruatie moet worden aangeleerd. Andere personen, bijvoorbeeld de moeder of een ouder zusje kunnen hiervoor model staan. Eventueel kunnen ouders een kalender bijhouden zodat men weet wanneer de menstruatie te verwachten is en men het kind rond die tijd -indien nodig- op kan vangen. Wanneer het meisje met mensen die zij ontmoet over haar ongesteldheid praat, moet zij leren dat zij voor commentaar en het stellen van vragen altijd bij haar moeder (of zusje) terecht kan, maar er niet zonder meer met vreemden over moet praten. Voor het stellen van vragen over voortplanting en geboorte is een vrij hoog ontwikkelingspeil vereist, waardoor slechts een kleine minderheid van autistische tieners de ouders hierover vragen zal stellen. Men dient daarop openhartig te antwoorden maar eenvoudig genoeg voor het bevattingsvermogen van de tiener. Wanneer de autistische jongere en/of de ouders na overweging besluiten dat de jongere een voorbehoedsmiddel moet gaan gebruiken is de keuze sterk afhankelijk van persoon, gedrag, niveau van functioneren, aktiviteiten en omgeving. Een dergelijk besluit dient altijd in overleg met huisarts of gynaecoloog te worden genomen.

Verlichting van de last voor het gezin

Rutter benadrukt de zware taak waarvoor de ouders, broertjes en zusjes van een autistisch kind zich gesteld zien. Vergroting van de draagkracht van het gezin ziet hij eveneens als een van de belangrijkste behandelingsdoelen. De zware opgave om een autistisch kind op te voeden dreigt in een aantal gevallen de draagkracht van het gezin te boven te gaan, hetgeen kan leiden tot allerlei spanningen (huwelijksproblemen. problemen met andere kinderen en dergelijke). Het gezin dient daarom een plaats in het behandelingsplan te krijgen. Ouders moet duidelijkheid worden geboden wat betreft de aard van de problematiek en de mogelijkheden en onmogelijkheden van hun kind. Zij dienen actief in het behandelingsproces betrokken te worden (onder andere voor het aanleren van effectieve probleem-oplossende vaardigheden). De behandeling moet erop gericht zijn zoveel mogelijk de praktische lasten van het gezin te reduceren (bijvoorbeeld huishoudelijke hulp, gezinsverzorging, oppas). Ouders hebben ruimte nodig voor hun eigen relatie en voor eigen aktiviteiten. Dit laatste geldt met name voor de moeder die, indien zij geen aktiviteiten buitenshuis heeft, zozeer wordt opgeslokt door haar autistische kind dat er geen tijd en energie overblijft voor andere dingen. Alleen een goed doordachte dagindeling en taakverdeling kan dat mogelijk maken. Tevens moeten ouders proberen fysiek in goede conditie te blijven. Bij bijvoorbeeld ernstige slaapproblemen van het kind dient het zoeken naar een oplossing voor de verstoorde nachtrust speciale aandacht te krijgen. Zo nodig zal gezocht moeten worden naar oplossingen die de ouders een weekend of week vakantie geven (kan er een oma of tante ingeschakeld worden, kan het kind enkele dagen in een 'short-stay-home' verblijven; is er voor het kind de mogelijkheid voor verblijf van enige dagen in een logeerhuis?). Ook moeten de ouders proberen aandacht voor de andere kinderen te houden. Deze hebben dat net als elk ander kind hard nodig. Het gezinsleven wordt in ernstige mate bepaald door de aanwezigheid van een autistisch kind. Vaak blijven ouders zoveel mogelijk thuis om vervelende gebeurtenissen buitenshuis te vermijden. De kans om in een isolement te raken is groot. Het is derhalve van belang om aktiviteiten buitenshuis te blijven ondernemen, eventueel uitstapjes. Uiteraard is er een verschil of men gedurende kortere of langere tijd met het autistisch kind op stap gaat of dat de ouders er even alleen op uit gaan. Dat laatste veronderstelt immers oppas of een logeermogelijkheid voor het autistische kind.

Met het kind op stap

Wanneer men met het autistische kind uit eten wil gaan in een restaurant is het van belang dat men een tafel in een hoek kiest, zodat het kind met het gezicht naar de hoek kan zitten. In eerste instantie kan het samen uitgaan problemen geven: het is echter van belang het autistische kind mee uit te blijven nemen. Als het kind er eenmaal aan gewend is, levert het vaak veel minder problemen op. Enkele andere ideeën om naar toe te gaan met het gezin: markt, bos, fabriek, station, vliegveld, strand, dierentuin, boerderij, speeltuin, pretpark, etc. Als men met het autistische kind met vakantie wil is een goede voorbereiding van essentieel belang. Autistische kinderen moeten weten wat zij in zo'n nieuwe situatie kunnen verwachten en wat er van hen wordt verwacht. Men dient het kind duidelijk te maken wat er gaat gebeuren. Hoe het er in de vakantie uit zal zien (foto's/plaatjes uit de reisgids, etc.) en wat het kind in de vakantie kan doen. Daarbij moet men het kind geen dingen vertellen die men niet zeker weet; als blijkt dat het niet klopt kan men grote problemen verwachten.

Ontspanning voor de ouders: Oppas voor het kind

Zoals al eerder werd beschreven. is het voor de ouders van groot belang regelmatig ontspanning en vrije tijd te nemen en de mogelijkheid te hebben de zorg voor hun autistische kind af en toe aan iemand anders over te laten. Het beste kan men beginnen met het zoeken naar en trainen van een oppas voordat men de oppas werkelijk nodig heeft. De oppas kan eerst een aantal middagen komen kijken, waarna de ouders zich langzamerhand meer terug trekken. Het is van belang dat de oppas duidelijke richtlijnen krijgt in verband met de aanpak van het kind: men kan deze bijvoorbeeld op een lijstje schrijven (gewoonten, hoe hij/zij het beste iets duidelijk kan maken, etc.). Waarschijnlijk is de eerste avond uit niet echt ontspannend voor de ouders en zitten zij voortdurend aan 'thuis' te denken; toch is het belangrijk om door te zetten. Wanneer een oppas niet mogelijk is, kan men als het kind op school is een middag voor zichzelf nemen en/of uitgaan. Ook is het mogelijk dat een van de ouders weggaat en de andere ouder op het kind past. Soms is iemand uit de vrienden- of kennissenkring bereid af en toe op het kind te passen, zeker als hij/zij de nodige informatie krijgt. Als de ouders enkele dagen weggaan kan men dit aan het kind duidelijk maken door middel van een kalender met een foto van de oppas op de dagen dat de ouders weg zijn en een foto van de ouders op de dag dat zij weer terugkomen. Door regelmatig een dag of een paar dagen weg te gaan zal het kind leren dat op weg gaan ook weer terugkomen volgt. Het is van belang om tijdens de afwezigheid van de ouders voor het kind iets leuks te organiseren; afwezigheid van de ouders betekent op deze manier voor het kind niet alleen verdriet. Een vaste oppas of oppasadres kunnen een enorme steun betekenen.

Nabeschouwing

In deze Engagement Special werd een groot aantal aspecten beschreven die bij de begeleiding van het opgroeiende autistische kind van belang zijn. Tegen de achtergrond van (ortho)pedagogische en ontwikkelingspsychologische inzichten kwamen talrijke praktische tips aan de orde. Tips, die in de dagelijkse omgang met het kind van belang kunnen zijn voor zijn ontwikkeling. De ontwikkeling van het autistische kind blijkt niet vanzelf te gaan. Vele ouders brengen - vaak met andere gezinsleden - de bewonderenswaardige energie op die nodig is het kind te begeleiden. Liefdevolle inzet, niet aflaten, vasthoudendheid en creativiteit kenmerken de gezinscultuur waarbinnen het kind kan gedijen. Het blijkt telkens weer dat daarmee en daardoor ouders een grote ervaringsdeskundigheid opdoen bij de begeleiding van het opgroeiende autistische kind. Het is een misverstand om de professionele deskundigheid van begeleiders en wetenschappers daar tegenover te stellen. Ervaringsdeskundigheid en professionele deskundigheid gaan veeleer hand in hand. Het is vooral de samenwerking, de combinatie van beide soorten van deskundigheid, die de optimale begeleiding van het kind kan bevorderen. Deze Special is daar een voorbeeld van. Hoewel geplaatst in een theoretisch kader, zijn het toch de ervaringen van ouders geweest die de uitgave van dit nummer van Engagement rechtvaardigen. De goede invallen van de betrokken ouders blijken meer te zijn dan toevalstreffers. Zij hebben intuïtief handelingen verricht die theoretisch verantwoord zijn en praktisch gezien de juiste uitwerking hebben. Een woord van dank aan deze ouders is dan ook op zijn plaats. Hun ideeën zijn gekaderd in een theoretisch raamwerk met een titel die verwijst naar de praktijk!

Enkele tips die de gedrukte versie van dit artikel in de kantlijn staan

  • De ouders dienen begeleiding te krijgen in de zware taak waar ze zich voor gesteld zien, zowel in emotionele als in praktische zin. Dit betreft niet alleen begeleiding bij de verwerkingsproblematiek, maar ook praktische steun als het regelen van oppas, speciale woonaanpassingen, etc.
  • De ontwikkeling van de motoriek, het spel en de zelfredzaamheid is belangrijk voor de cognitieve ontwikkeling en het leerproces.
  • De handelingen die steeds herhaald moeten worden, kan men in kleine stapjes uitbreiden. Men moet daarbij niet vergeten het kind regelmatig te belonen
  • Wanneer men de spelmogelijkheden van een autistisch kind wil uitbreiden is het van belang eerst te werken aan verbetering van het contact. Door middel van bepaalde spelletjes en speelgoed kan men trachten een nog sterk in zichzelf gekeerd kind op de buitenwereld (en dus ook op de ander) te richten.
  • Door het gebrek aan sociaal begrip, en het onvermogen om spontaan te participeren in de spelactiviteiten van andere kinderen is het belangrijk samenspel gericht te bevorderen. Dit kan door stapsgewijs en gestructureerd andere kinderen bij de spelaktiviteiten van het autistische kind te betrekken.
  • Men moet niet teveel tegelijk willen. Als het kind angstig wordt of niet vooruit komt kan men het best een stapje terug gaan. Wanneer het kind iets geleerd heeft, is het belangrijk hem daar even tevreden mee te laten zijn voor men hogere eisen gaat stellen.
  • Bij het bevorderen van het zelf eten en drinken begint men het kind voedsel te geven dat het met de vingers op kan nemen en/of kan eten, bijvoorbeeld een stukje brood, een stukje kaas, een worstje etc.
  • Wanneer men het contact met een autistisch kind wil bevorderen, is het van belang uit te gaan van de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind.
  • Enige aktiviteiten en spelletjes die de sociale ontwikkeling van het kind bevorderen.
  • Een voorbeeld van non-verbale communicatie is het gebruik van plaatjes en afbeeldingen. Dit heeft het voordeel dat een kind een aantal plaatjes met zich mee kan dragen en aan kan wijzen wat het bedoelt.
  • Autistische kinderen zijn geneigd terug te vallen in stereotiep, rigide gedrag wanneer zij nieuwe dingen moeten leren. Het best kan men de leertaak stapsgewijs aanbieden, zodat de kans op succes groot is en het kind de taak kan volbrengen met een minimum aan fouten.
  • Door structuur aan te brengen in de ruimte, bijvoorbeeld een vaste plaats om te werken, duidelijk afgescheiden van het spelgebied, leert het autistische kind die plaats te associeren met dat bepaalde gedrag dat van hem vereist wordt. Het kind moet weten waar wat plaats heeft, het is van belang terugkerende aktiviteiten steeds op dezelfde plaats te verrichten.
  • Hoewel autistische kinderen enorme weerstand vertonen tegen veranderingen in hun stereotiepe patronen en routines blijkt het mogelijk veranderingen aan te brengen.
  • Om slaapproblemen te verminderen c.q. te reguleren is het van belang het kind te kalmeren wanneer het angstig is.
  • Om eetproblemen te verminderen kan men met het kind oefeningen doen ter coördinatie van de tong- en mondbewegingen. Dit geldt met name voor de kinderen die hun voedsel nooit kauwen.
  • Het is belangrijk om het kind niet zijn zin te geven als het en driftbui heeft; doet men dit wel, dan wordt het kind beloond voor zijn negatieve gedrag.
  • Veel ouders geven aan, dat hun kind bang is voor harde geluiden (stofzuiger, boormachine, vaatwasmachine). Oorbeschermers, die te koop zijn in 'Doe-het-zelf' zaken kunnen een oplossing bieden.
  • De meeste autistische kinderen worden laat zindelijk; 80% tot 90% van de kinderen is pas op 4-jarige leeftijd aan zindelijkheidstraining toe.
  • De beste manier om destructief gedrag te verminderen is het kind proberen te interesseren voor meer constructieve bezigheden.
  • Ouders moeten voorzichtig zijn met de dingen die zij zeggen waar het kind bij is, als zij dit niet -in het openbaar- herhaald willen horen met precies dezelfde beklemtoning en intonatie.
  • De menstruatie begint binnen dezelfde leeftijdsgrenzen als die voor andere meisjes. Het autistische meisje moet dit leren kennen als iets dat normaal is en er gewoon bijhoort. De verzorging tijdens de menstuatie moet worden aangeleerd. Andere personen, bijvoorbeeld de moeder of een ouder zusje kunnen hiervoor model staan.
  • Ouders hebben ruimte nodig voor hun eigen relatie en voor eigen aktiviteiten. Dit laatste geldt met name voor de moeder die, indien zij geen aktiviteiten buitenshuis heeft, zozeer wordt opgeslokt door haar autistische kind, dat er geen tijd en energie overblijft voor andere dingen. Alleen een goed doordachte dagindeling en taakverdeling kan dat mogelijk maken.
  • Voor ouders die belangstelling hebben voor oppas, kortverblijf of weekend-plaatsing voor hun kind, bestaat een aantal mogelijkheden. Het Landelijk Bureau van de NVA is gaarne bereid tot het geven van de nodige informatie hierover.

Referenties

  • American Psychiatric Association, (1994). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (4th edn revised)(DSM IV), Washington DC (In de Engagement Special van 1990 werd verwezen naar DSM-III-R, deze versie IV is echter recenter - uw webmaster)
  • Berckelaer-Onnes, I.A. en Engeland, H. van, (2e druk 1992). Kinderen en Autisme. Onderkenning, behandeling en begeleiding, Meppel/Amsterdam: Uitgeverij Boom. (In de Engagement Special van 1990 werd verwezen naar de uitgave van 1986. Deze tweede druk is echter recenter - uw webmaster)
  • Berckelaer-Onnes, I.A. van, & Kwakkel-Scheffer, J.J.C. (red.) (1988): Autisme en Thuisbehandeling. Boom, Meppel.
  • Kuiper, H. (1988): Erik. In: I.A. van Berckelaer-Onnes, & J.J.C. Kw