Technieken
om probleemgedrag te stoppen:
Bewust negeren:
bij gedrag waarbij de
volwassene wordt uitgelokt tot agressie. Bepaald gedrag kan nodig zijn
voor spanningsontlading. Stoppen doet het gedrag eerder toenemen dan
afnemen, Negeren leidt soms tot snelle beëindiging.
Signaal tussenkomst :
Wanneer een kind geen
oog heeft voor gevaar of geen besef van de onaanvaardbaarheid. Geef een
seintje.Je hebt vaak te doen met gedrag waarvan het kind zelf weet dat
het niet goed is, maar het voelt zich ertoe aangetrokken. Je moet wel
een goede relatie met het kind hebben anders lukt dit niet. Deze
techniek werkt goed bij opvoeders van normaal en goed aangepaste
kinderen.
Nabijheidinvloed en
aanrakingsinvloed :
Bij ordeverstoringen,
opwinding, angst, onrust. Dichtbij een kind gaan staan of zitten.
Kalmerende werking, niet bedoeld als waarschuwing voor straf. Je
ondersteunt het kind. Bij sommige kinderen is nabijheid niet toereikend,
een arm om de schouder of klopje op de schouder. Belangrijk bij
overspoeling door impulsiviteit. Tegenindicaties: als je als
gezagsdrager niet geaccepteerd bent, jaloezie van andere kinderen.
Opname in
de interesse relatie:
dwingen een volwassene
aan te kijken. Jonge kinderen vragen frequent hierom. Bij gestoorde
kinderen blijft dit ook op latere leeftijd noodzakelijk. Door het
oogcontact kun je de relatie met jou in het vizier brengen. Dit helpt
soms beter dan hindering of tegendreiging. Voorwaarde is wel een goede
relatie met de leerling. Het is geen tovermiddel. Let op welke soort
boosheid speelt.
Spanningsontlading
door humor:
je demonstreert hierbij
onkwetsbaarheid, bij de persoon in kwestie ontstaat opluchting en
schuldgevoelens worden bespaard.
Hulp bij
hindernissen:
bij intensieve
uitbarstingen van gedrag (iets niet zelf af kunnen maken). Let op gevaar
van overbescherming en ontstaan van afhankelijkheid.
Tussenkomst door interpretatie:
Je probeert betekenis te
geven aan een voor het kind misverstane situatie. Je drukt de leerling
met de neus op de realiteit. Dit lukt alleen als het kind niet woedend
is. Heftige impulsen kunnen moeilijk gestopt worden. De interventie is
preventief van aard.
Hergroepering:
Drie manieren horen
hierbij:
Verandering van
taakverdeling binnen de groep. Groepssamenstelling veranderen.
Verwijderen uit de klas. Dit wordt gedaan om een beginnende
kettingreactie te voorkomen of te onderbreken.
Herstructurering:
Een activiteit laten
vallen en vervangen door een meer passende activiteit.
Kanttekening hierbij: er
wordt weinig gedaan aan de grondstoornis.
Rechtstreeks appèl:
Er moet wel gevoel voor
de situatie zijn. Je doet beroep op de redelijkheid van de leerling. De
relatie met de leerkracht moet wel goed zijn!
Soorten appèl: aan de
persoonlijke relatie. Gevolgen realiteit. De verwachtingen van de
omgeving. Normbesef. Trots en teleurstelling. Hiërarchie en gezag enz.
Beperking
van ruimte en materiaal:
Gericht op het vermijden
van bepaalde vrijheden van leerlingen.
Antiseptische verwijdering:
Verwijderen uit een
conflictsituatie. In situatie waarin zelfcontrole van leerling en/of
docent in gevaar komt. Lichamelijk gevaar. Prikkelende invloed van de
groepssituatie b.v. vechtpartijen. Het kan ook zijn een niet te
beteugelen prikkelingseffect (er is reeds een kettingreactie van rotzooi
trappen) De groep moet wel als geheel verder kunnen, oppassen voor
zondebok verschijnselen en ook verlies van persoonlijk contact voor
degene die wordt verwijderd.
Lichamelijke bedwinging:
Bij slaan of schoppen.
Autoritair
verbod:
Duidelijk het negatieve
gedrag afkeuren. Je moet dan wel overwicht hebben.
Beloften
en beloningen:
Voor leerlingen moet er
de mogelijk zijn om beloften en beloningen te kunnen verdienen.
(Fatalisme en rivaliteit vermijden!)
Straffen
en bedreigen:
Straf moet altijd leiden
tot gedragsverandering, anders heeft het geen opvoedende waarde.
HOME (www.orthopedagogiek.com) |