|
HOME (www.orthopedagogiek.com)
Eén-minuuttest
De één-minuuttest wordt gevormd door een kaart waarop in totaal 116 niet
samenhangende woorden in vier rijen staan afgedrukt, er zijn twee
parallel versies, A en B. Het gaat om de vaardigheid om losse woorden,
onder elkaar gedrukt, te lezen. De lijst begint met zeer eenvoudige
woordjes (waar, been) waarna de woordjes steeds moeilijker worden (vlug,
hamer, botermes enz.). De leerling wordt gevraagd de woorden te lezen.
De ruwe score wordt gevormd door het aantal goed gelezen woorden in één
minuut, waarbij het er niet toe doet of het woord direct goed gelezen
wordt of eerst gespeld. De toets is een goede operationalisering van wat
we onder technisch leesvaardigheid verstaan en wordt daarom gebruikt als
‘instaptoets’. De score vormt de basis voor de interpretatie van de
overige toetsen (Struiksma et al., 1997).
Faalangst
Positieve en negatieve emoties en stemmingen beïnvloeden het leergedrag.
Het is belangrijk dat leerlingen hun emoties kennen en kunnen beheersen
om je op een taak te kunnen richten (Boekaerts & Simons, 1995). Emoties
spelen een belangrijke rol in het gedrag van mensen. Het zijn
veranderingen in het fysiologische systeem, die als
waarschuwingssignalen dienst doen. Ze onderbrekende de op gang zijnde
activiteiten en bereiden het lichaam voor op actie (Boekaerts & Simons,
1995).
Angst is de meest onderzochte emotie. Het begrip angst is op
verschillende manier geoperationaliseerd. Heel wat onderzoekers hebben
aandacht besteed aan angst om te falen, angst om geëvalueerd te worden,
kortweg faalangst of negatieve faalangst (Boekaerts & Simons, 1995).
Faalangst of negatieve faalangst wijst er op dat de angst verlammend
werkt en de prestaties negatief beïnvloed. In de literatuur wordt ook
wel eens over positieve faalangst gesproken. Hiermee wordt angst bedoeld
die toch resulteert in een goede of betere prestatie (Nieuwenbroek,
1991).
Leerlingen vergelijken de taakeisen (draaglast) met hun eigen
mogelijkheden om er aan te voldoen (draagkracht). Als deze verhouding
uit evenwicht is kunnen er problemen ontstaan (Boekaerts & Simons,
1995). Kinderen met ernstige lees- en spellingproblemen zullen door de
negatieve ervaringen die ze eerder met een lees- en spellingtaak hebben
opgedaan (falen) de draaglast van een lees -en/of spellingtaak
overschatten en de eigen draagkracht onderschatten. Er ontstaat een
negatieve taakbeleving en er sprake van negatieve stress. Deze stress
kan zich op verschillende manier uiten: buikpijn hebben, slecht slapen,
woede, verdriet etc. . Dyslectische kinderen kunnen al snel faalangstig
worden (Braams, 1998). Mogelijk dat ze daardoor een flinke hekel aan
lezen of zelfs aan school krijgen. Belangrijk is om te kijken in
hoeverre er sprake is van faalangst, waardoor in de behandeling rekening
gehouden kan worden met dit aspect.
Faalangst is een angst die iemand slechter doet functioneren. Die angst
treedt vooral op als iemand niet precies weet wat er van hem/haar
verwacht wordt, of als iemand niet precies weet hoe iets tot een goed
einde gebracht kan worden (Braams, 1996).
Kinderen die blijven spellen tijdens het lezen hebben mogelijk een in
aanleg beperkt zelfvertrouwen. Door een niet zo'n succesvol leesproces
doen ze weinig of geen succeservaringen op, waardoor hun onzekerheid
toeneemt. Deze kinderen zullen "de zekere weg" van het spellen blijven
hanteren. Voor de behandeling is het van essentieel belang te
achterhalen of het spellen veroorzaakt wordt door problemen in de
taalontwikkeling of door faalangst.Kinderen kunnen uit faalangst echter
ook een radende strategie toepassen. Met name kinderen die ondanks veel
hulp weinig succeservaringen hebben opgedaan, kunnen overgaan op
veelvuldig raden. Kinderen die hun hulpverleners tegemoet willen komen,
hun leesplezier als het ware niet willen bederven, passen deze strategie
ook soms toe.De woordjes "de", "het", "een" worden regelmatig verkeerd
gelezen, dus verkeerd radend, wat de gevoelens van onzekerheid bij de
kinderen doet toenemen.
Foneem
Een klank of groep verwante klanken met woordonderscheidende functie. Zo
kent het Nederlands de fonemen / r / en / g / omdat ze de woorden / rat
/ en / gat / van elkaar onderscheiden.
Een klank (Van der Leij, 1998).
Fonemen toevoegen
De leerling moet aangeven welk woord er ontstaat als aan een gegeven
woord een klank wordt toegevoegd: achter het woord /ver/ nog een /f/
(Van der Leij, 1998).
‘Foneem toevoegen’ wordt door van der Leij genoemd als één van de
complexe taken die een tekort bekijken in de analyse van fonologische
deelvaardigheden. Wanneer een leerling minder goed in staat is om
oefeningen met ‘fonemen toevoegen’ uit te voeren dan zijn
leeftijdsgenoten, ondanks dat er instructie en oefening aan vooraf is
gegaan, kan er van een probleem met ‘fonemen toevoegen’ gesproken
worden. Het is ook mogelijk dat de leerling het nu (eventueel door de
vele oefening) wel kan, maar dat in het verleden is gebleken dat de
leerling duidelijk mee moeite had met ‘fonemen toevoegen’ als zijn
leeftijdsgenoten.
Fonemen weglaten
De leerling moet zeggen welk woord er overblijft als een bepaald foneem
uit een woord weggelaten wordt: de /r/ in /krat/ (Van der Leij, 1998).
Oefeningen waarin ‘fonemen worden weggelaten’ worden door van der Leij
aangegeven als één van de complexe taken die een tekort bekijken in de
analyse van fonologische deelvaardigheden. Wanneer een leerling minder
goed in staat is om oefeningen met ‘fonemen weglaten’ uit te voeren dan
zijn leeftijdsgenoten, ondanks dat er instructie en oefening aan vooraf
zijn gegaan, kan er van een probleem met ‘fonemen weglaten’ gesproken
worden. Het is ook mogelijk dat de leerling het nu (eventueel door de
vele oefening) wel kan, maar dat in het verleden is gebleken dat de
leerling duidelijk mee moeite had met ‘fonemen weglaten’ als zijn
leeftijdsgenoten. Informatie over deze vaardigheid kan verkregen worden
uit eerder afgenomen objectieve toetsen waarbij ‘fonemen weglaten’ wordt
getoetst of door de combinatieproef van Rispens uit te voeren (Rispens,
1974).
Fonementoets
Met de Fonementoets kunt u nagaan of kinderen weten welke lettertekens
(grafemen) met de verschillende taalklanken (fonemen) overeenkomen. De
Fonementoets kan zowel individueel als groepsgewijs worden afgenomen.
Fonologische tekorten
Dit kan opgevat worden als een uiting van een tamelijk specifiek aspect
van de taalontwikkeling dat in elk geval de klankvorm van de taal
betreft, iets dat direct gerelateerd is aan de decodeertaak (Van der
Leij, 1998).
Gebaren (K-ABC)
Het kind moet een serie handbewegingen van de proefleider in dezelfde
volgorde nadoen.
Leeftijd van 4 tot 12;6 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Begin van de pagina
Gedragsproblemen
Gedrag is probleemgedrag, als het door personen uit de omgeving van het
kind (of het kind zelf) als zodanig wordt ervaren of beoordeeld.
(Hendriks & Verstegen, 1988).
Geheugen
Weinig functies zijn zo cruciaal voor ons dagelijks en school
functioneren als ons geheugen (De Deyn et al. in Ruijssenaars &
Ghesquière, 1999). In het dagelijks leven worden er eisen gesteld aan
het geheugen, op school, thuis en onder het buitenspelen. Kinderen leren
de hele dag door nieuwe dingen, of het nu letters zijn, de tafels van
vermenigvuldiging, spelregels of vaardigheden. Wanneer het geheugen niet
optimaal werkt zal dit in het dagelijks leven zichtbaar zijn in de vorm
van slechtere prestaties (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992). De
diagnostiek van het geheugen met een eventueel geheugenprobleem of
stoornis als uitkomst kan dan ook belangrijke consequenties hebben voor
het invullen van een behandeling wat betreft dyslexie.
Aan het geheugenproces worden drie fasen onderscheiden: de registratie
van informatie, het opslaan ervan in het geheugen en het ophalen ervan
uit het geheugen (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992). Daarnaast wordt
het geheugen ook beschreven als een structuur waarbinnen het
korte-termijngeheugen (bestaande uit sensorische registers en het
werkgeheugen) en het lange-termijngeheugen subsystemen zijn. De
sensorische registers zijn specifieke visuele, auditieve of
tactiel-kinesthetische systemen. De ontvangen informatie wordt tijdelijk
in een soort voorportaal van het specifiek auditief, visueel of
sensomotorische geheugen, dat korte termijn geheugen of werkgeheugen
wordt genoemd, vastgehouden (Dumont, 1985). Vervolgens kan de informatie
doorgegeven worden aan het lange termijn geheugen. De verschillende
systemen binnen het geheugen-model kunnen informatie uitwisselen.
De diagnostiek van de geheugenstructuur richt zich niet op de
sensorische registers. Wel worden het korte -en lange-termijngeheugen
voor de auditieve en visuele modaliteit onderzocht (Van Leeuwen in
Kievit et al., 1992). Beide modaliteiten kunnen verbaal en non-verbaal
worden aangeboden.
Geheugenspan (RAKIT)
Een reeks figuren (concreet en abstract) wordt gedurende een beperkt
aantal seconden aangeboden, waarna het kind gevraagd wordt blokjes
waarop deze figuren zijn afgebeeld in de zojuist aangeboden volgorde
neer te leggen.
Leeftijd van 4 tot 11;2 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Gehoorscherpte
De gehoorscherpte wordt bij kinderen en/of volwassenen vastgesteld om na
te gaan of er wellicht sprake is van gehoorverlies. (Dumont, 1985).
Geluidslokalisatie
Het kunnen lokaliseren van geluid is een vaardigheid die het kind blijkt
te leren als het zijn hoofd naar de geluidsbron kan wenden. Een gelijke
gehoorscherpte en een precieze samenwerking van de informatieverwerkende
processenvan beide oren is daarbij vereist.
Het aanmerkende verschil in tijd waarmee het geluid de beide oren
bereikt, blijkt voldoende te zijn om geluid te kunnen lokaliseren.
(Dumont, 1985).
Geluidswaarneming
Het gaat om het vaststellen of het kind geluiden kan horen als eerste
stap van niet horen naar horen. (Dumont, 1985).
Geluidswaarneming geschiedt op drie niveau’s
* Primaire centra, waar de eigenlijke waarneming plaatsvindt
* Secundaire centra, waar geluiden herkend worden
* Tertiaire functies, die bepalen wat er met deze informatie gedaan kan
worden (Van Endt, 1995).
Gewenste effect
Hieronder wordt verstaan dat vanaf het interventiemoment de lees- en
spellingontwikkeling in snelheid vergelijkbaar is met de gemiddelde
ontwikkeling van de normgroep. Het effect moet optreden binnen een
redelijke termijn, doch uiterlijk een half jaar (Ruijssenaars &
Gersons-Wolfensberger, 1995).
Gezicht Herkennen (K-ABC)
Voor een korte periode krijgt het kind één of twee gezichten te zien die
het daarna moet aanwijzen op een groepsfoto.
Leeftijd: van 2;6 tot 4;11 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Gezichtsscherpte
Op welke afstand kan welk detail nog worden waargenomen? Op deze vraag
wordt antwoord gegeven door de test voor gezichtsscherpte, bekend van
oogarts en opticien. (Dumont, 1985).
Men gaat na welke de kleinste objecten uit reeksen gelijkvormige
objecten zijn die nog juist benoemd worden. Men maakt in het algemeen
gebruik van letters, waarbij de herkenning van de letter als criterium
wordt gebruikt, of de details gescheiden worden waargenomen. Het object
is meestal zwart, de omgeving wit.
Gezichtsscherpte blijkt af te hangen van
* het object aan de hand waarvan de gezichtsscherpte wordt bepaald en
tevens de verlichting ervan.
* het afbeeldende systeem van het oog
* eigenschappen van het netvlies, oogzenuw
* waarnemingstijd (Van der Gon, 1959)
Grafeem-foneem-koppeling
Er wordt een letter genoemd, het kind herkent de klank en weet dan welk
teken daarbij hoort (Verhoeven in Paternotte, 1997).
De juiste fonemen worden aan de grafemen gekoppeld.
Het lezen van woorden veronderstel eerst een analyse van grafisch
weergegeven woorden in de samenstellende grafemen (grafemische analyse).
Vervolgens kunnen aan die grafemen de juiste fonemen worden gekoppeld
(grafeem/foneemkoppeling), waarna het woord door samenvoeging van die
fonemen (fonemische synthese) kan worden verklankt. Eenmaal verklankt
kan de betekenis van het woord worden vastgesteld (Nijmeegse werkgroep
taaldidactiek, 1992).
Grafeem
Een letter of lettercombinatie die gebruik wordt om een foneem weer te
geven.
Letterteken (Van der Leij, 1998).
Grafementoets
Kennis van lettertekens of grafemen is een belangrijke deelvaardigheid
voor technisch lezen. Om een woordje als ‘kam’ te kunnen lezen moet een
leerling minimaal de afzonderlijke letters /k/ /a/ /m/ kunnen
verklanken. De grafementoets meet de beheersing van respectievelijke de
klank-letter-koppeling en de vaardigheid in het samenvoegen
spraakklanken of fonemen. Met behulp van deze toets kun je dus
vaststellen welke grafemen een leerling wel kent en welke niet.
De grafementoets is in eerst instantie bedoeld voor afname in januari of
mei groep 3, als vervolg op de Drie Minuten Toets.
Bij de grafementoets moet een leerling een aantal losse grafemen hardop
verklanken. Het kind krijgt een leeskaart te zien met twee rijen
letters. De leerling moet zo vlug en duidelijk mogelijk de letters
oplezen. De toets wordt afgenomen met behulp van een stopwatch. De tijd
dat een kind doet over het lezen van een kaart wordt op het
scoreformulier genoteerd. Een voorbeeld van een rij letter is als volgt
m r
s oo
aa n
Het is de bedoeling dat de leerlingen de grafemen verklanken, dat wil
zeggen uitspreken zoals ze in een woord klinken. De letter ‘m’ wordt dus
de klank /mmm/ en een lange klinker in een woord als ‘reep’ wordt dus
/ee/. (Verhoeven, 1992).
Groepsgenoten
Hierbij gaat het om kinderen uit dezelfde groep. Bijvoorbeeld alle
kinderen uit groep 5 van het basisonderwijs. Het gaat hier dus niet om
leeftijdsgenoten, maar om kinderen uit een bepaalde groep. Zij kunnen
namelijk in leeftijd verschillen als een kind is blijven zitten of als
een kind pas laat in het jaar jarig is.
Handelingsplan
Als de aanpak op groepsniveau niet voldoende resultaat geeft, is het
noodzakelijk om op een individuele manier aan de slag te gaan. Een
belangrijk aspect is dat het behandelen een planmatige aanpak krijgt
(Van der Leij, 1998). Een handelingsplan bevat richtlijnen voor de
begeleiding van een leerling gedurende een bepaalde periode. Voor de
begeleider is duidelijk welke begeleiding hij de leerling moet geven en
voor de leerling is duidelijk welke begeleiding hij krijgt. Daarnaast
dient het handelingsplan als evaluatie-instrument. Het kan dienen om te
controleren of de behandeling effect heeft. Blijft effect uit dan moet
het plan bijgesteld worden (Henneman, 1994).
Met dit middel kan het onderwijs afgestemd worden op de behoeften van de
individuele leerling. De volgende componenten dienen opgenomen te zijn
in een handelingsplan: beginsituatie, inhoud, methodiek, organisatie en
evaluatie. De beginsituatie bevat informatie over de diagnose, de inhoud
betreft wat er geïnstrueerd moet worden, de methodiek hoe en de
organisatie waar, wanneer en door wie er geïnstrueerd wordt. Bij de
evaluatie wordt beschreven waarmee, wanneer en door wie wordt nagegaan
of het handelingsplan effectief is (Van der Leij, 1998).
Onderdelen van de beginsituatie zijn:
* De leergeschiedenis van de leerling; in zoverre deze voor de
behandeling relevant is.
* De prestaties met betrekking tot taken, en het daarbij
behorende/gebruikte materiaal waarmee prestaties gemeten zijn
* De zwakke en sterke kanten m.b.t. de beheersing van
spellingcategorieën, deelvaardigheden, strategiegebruik en
controlemogelijkheden.
* De mate van concentratie en aandacht, het zelfvertrouwen en het
zelfbeeld m.b.t .een taak
* De mate waarin de problemen van invloed zijn op de overige
(school)prestaties
* Effecten van eerdere hulp
* Effecten van het spellingonderwijs
* Eisen die het curriculum stelt
Onderdelen van de inhoud. Het gaat er hierbij om hoe de hulpvraag van de
leerling aangepakt gaat worden. De doelen, de volgorde van de doelen en
de faciliteiten en leerinhouden om de doelen te bereiken.
Onder methodiek wordt verstaan op welke wijze de leerling onderwezen
gaat worden. Enerzijds vallen hier leerpsychologische principes onder,
anderzijds middelen die gebruikt worden. Leerpsychologische principes
zijn de leertijd per onderdeel, aandacht en concentratie ondersteunende
maatregelen, wijze van ondersteuning van de leermotivatie en
zelfconcept, wijze aanleren vaardigheden, afstemming instructie op
abstractievermogen leerling, mate van structurering leerproces en de
wijze van beoordeling prestaties. De middelen zijn concrete middelen als
computerprogramma’s, flitskaarten, bandmateriaal, spellingmethoden etc.
Onder organisatie wordt een beschrijving weergegeven van de organisatie
van de behandeling. Bijvoorbeeld, hoe, door wie en waar vindt
behandeling plaats, hoe wordt hulp binnen school gecoördineerd etc.
Onder de evaluatie wordt beschreven welke instrumenten wanneer gebruikt
worden, om de effecten van de begeleiding te meten. O.a. toetsen die
gebruikt worden, observaties die gedaan worden. De evaluatie gegevens
zorgen voor een nieuwe beginsituatie van waaruit het handelingsplan
wordt bijgesteld (Henneman, 1994).
Hardnekkige problemen
Problemen die niet het gevolg zijn van gebrek aan instructie en oefening
die gewoonlijk leiden tot beheersing (hardnekkigheidscriterium-1) (Van
der Leij et al., 2000). Verder zijn de problemen van zo’n aard dat het
effect van extra instructie en oefening niet leidt tot een stadium van
automatisering in een tijdsverloop dat daar gewoonlijk mee gemoeid gaat
(hardnekkigheidscriterium-2) (Van der Leij et al., 2000).
Hiervan is sprake wanneer binnen het onderwijs gedurende enige tijd de
gangbare extra, aantoonbare, planmatige en intensieve inspanningen zijn
geleverd, zonder het gewenste effect (Ruijssenaars &
Gersons-Wolfensberger, 1995).
Het behandelingsgerichte onderdeel van het computerprogramma
Het onderdeel in het computerprogramma dat betrekking heeft op de
behandelingsgerichte diagnostiek.
Het korte termijngeheugen
Wordt ook wel recent geheugen of werkgeheugen genoemd. Het kan
informatie tijdelijk opslaan totdat een of andere taak is uitgevoerd.
Dit gebruikt men bijvoorbeeld bij het voeren van een gesprek (de draad
van een verhaal vasthouden). De informatie moet erin blijven hangen
zolang men deze nodig heeft, maar men hoeft deze niet voor langere tijd
te onthouden. Informatie kan in dit geheugensysteem zo’n 30 seconden
bewaard. Het kan ook langer als de informatie steeds wordt herhaald.
De informatie verdwijnt echter direct uit dit geheugen zodra er een
andere taak wordt uitgevoerd, waardoor de kort opgeslagen informatie
even niet nodig is. (Gallé & Willemse, 1990).
Het lange termijngeheugen
Alle informatie die we langer dan twintig seconden onthouden, wordt in
het lange termijngeheugen bewaard. Dit geheugen kent een onbeperkte
opslagruimte, het raakt nooit vol. Informatie kan er voor onbeperkte
tijd worden opgeslagen. (Van Assel et al., 1992).
Hierin wordt info over de wereld om ons heen en over onszelf voor lange
termijn opgeslagen, bewaard, en ligt te wachten tot het weer eens wordt
opgevraagd. De informatie die eenmaal in het lange termijngeheugen wordt
opgeslagen verdwijnt nooit meer. De informatie kan alleen moeilijker
toegankelijker worden. De opgeslagen informatie blijft hetzelfde, of men
deze nu na twee minuten of na twee maanden of zelfs jaren oproept.
(Gallé & Willemse, 1990).
Hersenhelften
De hersenen zijn te verdelen in grote hersenen (cerebrum), kleine
(cerebellum), hersenstam, verlengde merg en ruggemerg. Hiervan bestaan
de grote hersenen uit twee helften, ook wel hemisferen genoemd (Van
Endt, 1995).
ICIDH
International Classification of Impairments, Disabilities, and
Handicaps. Als aanvulling op de 9e revisie van de ICH (International
Classification of Diseases) publiceerde de World Health Organization
(WHO) in 1980 een classificatiesysteem dat gericht is op stoornissen,
beperkingen en handicaps, als zijnde een gevolg van een ziekte of
aandoening. De ICIDH kreeg in 1994 een formele status vanuit de
Verenigde Naties. Het classificatiesysteem wordt wereldwijd gehanteerd,
wat de eenheid in communicatie bevordert. (Van der Leij et al., 2000).
Indirecte woordherkenning
Van indirecte woordherkenning binnen het lezen is sprake wanneer iemand
een woord niet direct herkent, maar er langs een andere weg toch in
slaagt erachter te komen om welk woord het gaat (Struiksma et al.,
1997).
Informatieverwerking
Een centraal begrip uit de cognitieve psychologie. De mens wordt hier
opgevat als een informatieverwerkend systeem. Dit wil zeggen dat hij
reageert op prikkels uit de buitenwereld, die op een bepaalde manier
worden waargenomen en geïnterpreteert. Van belang is tevens op welke
wijze nieuwe gegevens worden toegevoegd aan het bestaande kennisbestand
en op welke wijze de informatie in de hersenen gecodeerd wordt. Er wordt
getracht een beschrijving te geven van de verschillende stappen die in
dit proces doorlopen worden. Bij de mens verlopen verschillende
processen parallel naast elkaar. (Van Petersen & Bergsma, 1992).
Intelligentie
Psychodiagnostisch onderzoek bij kinderen is nauwelijks denkbaar zonder
dat daarbij uitspraken worden gedaan over de huidige en toekomstige
verstandelijke mogelijkheden, omdat vragen hierover in de kinderjaren
worden gesteld (Struiksma & Geelhoed in Kievit et al., 1992).
Een -expliciete of impliciete- schatting van het intellectueel
functioneren is een noodzakelijk onderdeel van de informatie die nodig
is om klachtgedrag te kunnen interpreteren (Struiksma & Geelhoed in
Kievit et al., 1992). Zoals het gegeven dat een kind 110 cm lang is geen
betekenis heeft als we niet weten hoe oud dat kind is, zo is de klacht
dat een kind op school leerproblemen vertoont pas te interpreteren als
we ook een adequate schatting hebben van zijn intellectueel niveau
(Struiksma & Geelhoed in Kievit et al., 1992). Als uit een
intelligentietest blijkt dat het kind beperkte intelligentie heeft,
boven het niveau van mentale retardatie in termen van de DSM IV, die
zich naast de dyslexie voordoet, kan dit vragen om aanpassingen in de
behandeling. Dit geldt ook voor een intelligentie ver boven het
gemiddelde in termen van Struiksma & Geelhoed. Zo kan men ervoor zorgen
dat een intelligent kind niet wordt onderschat, of dat een minder
intelligent kind niet te veel onder druk wordt gezet (Van Mameren in
Paternotte, 1997). Uit bovenstaande blijkt dat intelligentietests
gebruikt kunnen worden om het algemene leervermogen te indiceren (Van
der Leij, 1998). Daarnaast kan men, in het kader van handelingsgerichte
diagnostiek, op basis van een analyse van de intelligentietests de
relatief sterke en zwakke kanten in het functioneren van het individuele
kind in kaart brengen (Struiksma & Geelhoed in Kievit et al., 1992).
Voor de behandeling is het namelijk nodig om te weten waar een kind goed
in is. Dat kan hij of zij leren gebruiken als compensatie voor zwakke
punten. Ook het nodig om te weten waar een kind zwak in is. Daar kan men
dan rekening mee houden, en zo nodig kan men er extra op oefenen (Van
Mameren in Paternotte, 1997).
Er zijn in de praktijk meerdere intelligentietests die regelmatig worden
gebruikt. De meest voorkomende zijn Wechsler-tests, Wechsler Preschool
and Primary Scale of Intelligence (WPPSI) voor 4- tot 6 jarigen, de
Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC) voor 6- tot 16 jarigen
en de Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS). Van de Wechsler schalen
is een Nederlandse aanpassing gemaakt (Van Haasen et al., 1986). Naast
deze WISC-RN zijn andere vaak gebruikte intelligentietests de
geReviseerde Amsterdamse Intelligentietest voor Kinderen (RAKIT) voor
4;2 tot 11;2 jaar, de geReviseerde Snijders-Oomen Non-verbale
intelligentietest (SON-R) voor 5;5 tot 17 jaar, de Kaufmann Assessment
Battery for Children (K-ABC) voor 2;5 tot 12 jaar en de Leidse
Diagnostische Test (LDT) voor 4 tot 8 jaar (Struiksma & Geelhoed in
Kievit et al., 1992).
De keuze van een intelligentietest hangt naast praktische overwegingen
met een aantal zaken samen, als de vraagstelling, de leeftijd van het
kind en zijn veronderstelde zwakke (of sterke) kanten (Struiksma &
Geelhoed in Kievit et al., 1992).
Wat leeftijd betreft is meestal al duidelijk welke testen gebruikt
kunnen worden. De leeftijdscategorie 4 tot 7 jaar kan de keuze soms
moeilijk maken, omdat dan zowel voor een test voor het jonge kind als
voor het oude kind gekozen kan worden. Bij twijfel van het
ontwikkelingsniveau kan het beste gekozen worden voor de test voor de
jongste groep. De test zal dan minder hoge eisen aan de taakwerkhouding
stellen, zodat een kind het beter vol kan houden (Struiksma & Geelhoed
in Kievit et al., 1992). Verder zijn er testen die beter bruikbaar zijn
bij een sensorische of motorische handicap van het kind. Voor dove
kinderen is de SON-R een goed alternatief. Voor blinde kinderen is er
een aparte testbatterij ITVIK (Dekker et al., 1989). Ook kan een
specifieke taalachterstand ertoe leiden dat bij een aantal
intelligentietesten niet zozeer het cognitieve ontwikkeling bekijken
maar de taalvaardigheid. Een mogelijkheid is om dan te kiezen voor
uitsluitend performale taken van de WISC-RN, aangevuld met redeneertaken
uit de RAKIT (Struiksma & Geelhoed in Kievit et al., 1992). Ook de SON-R
doet een minimaal beroep op de taalvaardigheid. Belangrijk is wel dat
men middels een taalvaardigheidstoets het feitelijke taalniveau heeft
vastgesteld. Ook is het belangrijk te weten dat de test door het
weglaten van subtesten invalide is geworden en verkeerde conclusies
mogelijk zijn. Tot slot is het belangrijk te weten dat verbale taken het
hoogst correleren met leerprestaties op schoolse vaardigheden.
Alle hierboven beschreven intelligentietesten zijn goed bruikbaar voor
het geven van het algemene intelligentieniveau van een kind. Het
algemeen intelligentieniveau van de verschillende testen is onderling
redelijk goed te vergelijken. De genoemde factoren binnen een test zijn
niet zonder meer te vergelijken met de factoren van een andere test.
Wanneer het algemene intelligentieniveau niet voldoende zegt, is het
belangrijk om aan de hand van de handleiding te bekijken in hoeverre de
factoren die in de test zijn opgenomen meer vertellen over de cognitieve
functies van het kind.
Interferentiescore
Ieder kind krijgt bij de Stroop Kleur-woord test drie kaarten te zien
die opgelezen moeten worden. Nadat de tijden genoteerd zijn, die de
proefpersoon nodig heeft om iedere kaart in zijn geheel te benoemen kan
de ruwe inferente score berekend worden met de formule
De tijd in seconden voor kaart drie min de tijd in seconden voor kaart
twee. Kaart een telt voor de berekening niet mee, maar dient om het
leesautomatisme op te wekken. Bij de formule speelt het aantal fouten
geen rol. (Hammes, 1978).
ITVIK: Intelligentietest voor Visueel Gehandicapte Kinderen
De ITVIK is een individueel af te nemen intelligentietest, bedoeld voor
ernstig visueel gehandicapte kinderen in de leeftijd vanaf 5 jaar en 10
maanden tot en met 16 jaar en 1 maand. Met behulp van een objectieve
test wordt bepaald of het kind tot de groep braille-onderwijsleerlingen
behoort met of juist zonder bruikbare visusresten. (datgene aan vermogen
wat het kind nog heeft om te kunnen zien). De eventueel aanwezige
bruikbare visusresten mogen tijdens de testafname gebruikt worden. De
test kan gebruikt worden om de algemene intelligentie van een kind vast
te stellen. Door een scoreprofiel van de subtestscores op te stellen
verkrijgt men een indruk van de sterke en zwakke punten van de leerling.
Deze kwalitatieve analyse kan als uitgangspunt dienen voor het opstellen
van behandelingsplannen. Ook is het mogelijk op grond van testresultaten
te adviseren over plaatsing in het speciaal onderwijs of- voor de wat
oudere leerlingen- over school-en beroepskeuze.
De ITVIK bestaat uit 13 subtests
* Waarnemen van figuren: Kinderen moeten een figuur kiezen uit vier
alternatieven die identiek is aan het voorbeeld.
* Geheugenspanne: Kinderen moeten 12 reeksen getallen vooruit en
achteruit nazeggen.
* Figurele Analogieën: De subtest bestaat 30 vierkeuze items. Elk figuur
moet worden gekozen zodanig dat de relatie tussen figuren 1 en 2 gelijk
is aan de relatie tussen de derde figuur en het gekozen alternatief.
* Namen leren: De subtest bestaat uit 14 houten objecten. Elk object
krijgt een naam. Vervolgens wordt de reeks objecten nog tweemaal aan het
kind voorgelegd, waarbij het kind de naam moet zeggen.
* Blokpatronen: Kinderen moeten met behulp van platte, vierkante
schijfjes 14 patronen naleggen.
* Fluency: Deze subtest bestaat uit vijf vragen. Het kind moet binnen 1
minuut zoveel mogelijk woorden of namen van objecten of situaties
noemen, naar aanleiding van bijvoorbeeld de vraag: Wat kun je allemaal
in je jaszak stoppen?
* Exclusie: De subtest bestaan uit 30 opgaven. Kinderen moeten uit vier
geometrische, voelbare lijnfiguren het lijnfiguurtje kiezen dat er niet
bijhoort.
* Plattegrond Vragen: Hier komen 34 vragen over 3 plattegrondsituaties
aan bod. Er zijn 15 statische vragen (over posities van objecten) en 19
dynamische vragen (nadat een object verplaatst is moet het kind deze
nieuwe positie relateren aan de gelijkgebleven posities van de overige
objecten.
* Pvc Plattegrond Vragen: 10 vragen over een plattegrond van een
woonhuis. Er zijn 5 statische vragen (over posities van ruimten) en 5
dynamische vragen (over routes door het huis).
* Verbale Analogieën: Deze subtest bestaat uit 28 vierkeuze-opgaven. Een
woord moet worden gekozen zodanig dat de relatie tussen het eerste
woordpaar gelijk is aan die tussen het te vormen woordpaar.
* Rechtenhoekenpuzel: 19 opgaven. Een aantal (2,3,4, of 5) stukjes
pvc-materiaal vormt een rechthoek van 8 x 12 centimeter. De stukjes
moeten in een raampje van deze afmeting gelegd worden. De score bestaat
uit de tijd die de kinderen doen over de gemaakte puzzels.
* Woordenschat: Het kind moet de betekenis geven van maximaal 32
aangeboden woorden.
* Waarnemen objecten: Deze test bestaat uit 17 opgaven. Kinderen moeten
een object kiezen uit vier alternatieven, dat identiek is aan een
voorbeeld. De opgaven zijn samengesteld met behulp van concrete
objecten, bijvoorbeeld knopen. Deze test wordt alleen afgenomen bij
kinderen tot en met 8 jaar.
Toegevoegd is de test bepaling visus-referentiegroep
Het kind krijgt 10 kaarten (12 x 16 centimeter) aangeboden. Op deze
witte kaarten staan 0 tot 5 zwarte stippen met een diameter van 0,5
centimeter. De stippen zijn willekeurig over het vlak verdeeld. Het kind
moet aangeven hoeveel stippen op de kaart staan. Aanwijzen op de kaart
wordt ook goedgekeurd. Als kinderen geen stippen kunnen waarnemen,
behoren ze tot visusgroep 0, kunnen ze een of meer stippen waarnemen dan
behoren ze tot visusgroep 1.
(Dekker et al., 1989). |