Kaufmann
Assessment Battery for Children
De K-ABC is een test voor de Algemene BewegingsCoordinatie bij kinderen.
Het is een onderzoek voor de lichamelijke vaardigheid en de
handvaardigheid bij kinderen van 6-10 jaar.
Items die in deze test zijn opgenomen zijn
* ringen op staafjes plaatsen
* veterbord
* verte sprong
* heen en weer springen
(Wiegersma, 1988).
Kenmerken van de Gezondheidsraad
Kenmerken van de Gezondheidsraadbehorende bij definitie van dyslexie
zijn
a. ernstige lees- en spellingachterstand: zowel in de klassesituatie als
bij geobjectiveerd lees- en spellingonderzoek ligt de prestatie ruim
onder de norm. Ruim beneden de norm is wanneer een leerling presteert
(bij herhaling) in de groep van de 10% zwaksten bij landelijk
genormeerde toetsen met betrekking tot snelheid en accuratesse. Dit kan
bijvoorbeeld met het Leerlingvolgsysteem van het Cito.
b. Hardnekkigheid of didactische resistentie: de in het onderwijs
gebruikelijke didactische maatregelen en remediëringsinspanningen hebben
zeer gering resultaat. Hiervan is sprake wanneer er binnen het onderwijs
gedurende enige tijd extra, aantoonbare, planmatige en intensieve
inspanningen zijn geleverd, zonder het gewenste effect. Onder een
gewenst effect wordt verstaan dat vanaf het interventiemoment de lees-
en spellingontwikkeling in snelheid vergelijkbaar is met de gemiddelde
ontwikkeling van de normgroep. Dit effect dient binnen een redelijke
termijn, uiterlijk een half jaar, tot stand gekomen te zijn.
c. Zeer trage en/of onnauwkeurige en snel verstoorde woordidentificatie:
bij geobjectiveerd diagnostisch onderzoek op het gebied van de
ontwikkeling van de automatisering van woordidentificatie en
schriftbeeld vorming ligt de score ver onder de norm. De snelheid van de
ontwikkeling van de leesvaardigheid, vast te stellen met herhaalde
meting, is een indicatie voor de mate waarin automatisering tot stand
komt.
(Gezondheidsraad, 1995).
Kenmerken van de Stichting Dyslexie Nederland
Kenmerken van de Stichting Dyslexie Nederland behorende bij de definitie
van dyslexie zijn (Van der Leij et al., 2000).
1. het vaardigheidsniveau van lezen en/of spelling ligt significant
onder dat van leeftijdgenoten (criterium van achterstand);
2. dat blijkt uit een traag tempo, met mogelijk (veelal bij spelling)
een grote hoeveelheid fouten (criterium van gebrek aan accuratesse en/of
snelheid);
3. dit verschijnsel treedt op terwijl in de omgeving voldoende
instructie en oefening geboden worden, die gewoonlijk leiden tot
beheersing (criterium van voldoende gelegenheid tot leren);
4. ook wanneer voorzien wordt in extra instructie en oefening
(remediëring) blijft het stadium van automatisering onbereikbaar
(criterium van hardnekkigheid);
5. het tekort in automatisering dat aan deze verschijnselen ten
grondslag ligt, blijkt uit een opmerkelijke daling van de kwaliteit van
de taakuitvoering (zoals: moeizaam decoderen, raden):
o wanneer op hetzelfde taakniveau tegelijkertijd ook aandacht moet
worden gegeven aan een andere taak
o en/of wanneer het te lezen of spellen materiaal moeilijker wordt
(onbekende woorden, lange woorden, fonologisch of orthografisch complexe
woorden)
o en/of de aanslag op automaticiteit groter wordt door spanning of
tijdsdruk (criterium van tekort in automatisering).
Kinderversie Rivermead Behavioural Memory Test (K-RBMT)
Het doel van de RBMT is het diagnosticeren van geheugenproblemen in het
dagelijkse leven. Het is een kort screeningsinstrument, dat in een kort
tijdsbestek verschillende aspecten van het geheugen onderzoekt (visueel
versus auditief geheugen, korte- versus lange-termijngeheugen en recall
versus recognitie). De items hebben betrekking op of het zich herinneren
dat men een alledaagse geheugentaak moet uitvoeren of op het vasthouden
van informatie die nodig is voor het adequaat dagelijks functioneren. De
RBMT bevat 8 onderdelen:
1. onthouden van naam bij een foto;
2. een verborgen voorwerp terugvragen;
3. een afspraak onthouden;
4. onmiddellijke en uitgestelde herkenning van lijntekeningen;
5. onmiddellijke en uitgestelde reproductie van een verhaaltje;
6. onmiddellijke en uitgestelde herkenning van gezichten;
7. onmiddellijke en uitgestelde herinnering van een route en het
onthouden van een boodschap;
8. oriëntatie in tijd en plaats.
Leeftijd van 6 tot 11 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Klank-tekenkoppeling
Het koppelen van de juiste fonemen aan de waargenomen grafemen
(Struiksma et al., 1997)
Klanken identificeren
Identificeren of herkennen betekent dat het kind een klank kan herkennen
als die specifieke klank in een woord (Dumont, 1985).
Klankpositie bepalen
Aangeven op welke plaats in een woord een bepaalde klank gehoord wordt:
de /p/ in /stip/ (Van der Leij, 1998).
Van der Leij noemt klankpositie bepalen één van de complexe taken die
een tekort bekijken in de analyse van fonologische deelvaardigheden.
Wanneer een leerling minder goed in staat is om de klankpositie in
woorden te bepalen dan zijn leeftijdsgenoten, ondanks dat er instructie
en oefening aan vooraf zijn gegaan, kan er van een probleem met de
klankpositie bepalen gesproken worden. Het is ook mogelijk dat de
leerling het nu (eventueel door de vele oefening) wel kan, maar dat in
het verleden is gebleken dat de leerling duidelijk meer moeite had met
het bepalen van de klankpositie als zijn leeftijdsgenoten. Informatie
over deze vaardigheid kan verkregen uit eerder afgenomen objectieve
toetsten wat betreft klankpositie bepalen of door de toets uit het
onderdeel ‘temporele orde’ uit de instapproeven niveau 4, 5 of 6
(klankpositie bepalen) van het curriculum Schoolrijpheid deel 2B (In den
Kleef & Duighuisen, 1988). Of 4, 5 of 6 gekozen wordt, hangt van de
leeftijd af en wordt in de handleiding beschreven. Ook kan de toets
‘Klankpositie bepalen’ uit het boek Diagnostiek van het technisch lezen
en aanvankelijk spellen (Struiksma et al., 1997) af te nemen. Elke toets
geeft aan wat een leerling op een bepaald moment in het onderwijs moet
kunnen.
Klankzuiver
We noemen woorden klankzuiver als er van een éénduidige relatie sprake
is tussen de letters van het geschreven woord en de klanken van het
gesproken woord.
Wanneer een woord (of klank-letterkoppelingen) geheel volgens het
fonemisch beginsel gespeld wordt. Voorbeelden hiervan zijn spraak,
krant, onderhuur. (Henneman, 1994)
Klinkers
De letters ‘a’ ‘e’ ‘i’ ‘o’ ‘u’ zijn klinkers.
Knox Blokkentest (SSON)
Bij deze test moet het kind vier op een rij liggende blokjes in dezelfde
volgorde natikken zoals door de proefleider is voorgedaan. Er zijn vijf
series van drie reeksen, die oplopen in moeilijkheidsgraad. Iedere serie
wordt vooraf gegaan door een voorbeeld opgave.
Leeftijd vanaf 4 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Landelijk genormeerde toets
Een toets waarvan de normen zijn afgeleid uit een landelijke steekproef.
Bij het afnemen van een landelijk genormeerde toets kun je de resultaten
vergelijken met de landelijke norm.
Leidse Diagnostische Test (LDT)
De Leidse Diagnostische Test (LDT) is een instrument dat vanuit het
psychologisch cognitieve gezichtspunt ontwikkeld is. Het beoogt een
bijdrage te leveren aan het individueel psychologisch onderzoek naar de
cognitieve ontwikkeling van kinderen in de leeftijd van 4 tot 8 jaar.
Afhankelijk van het doel waarvoor men de LDT wil gebruiken zou men de
LDT als intelligentietest of als diagnostische test kunnen bestempelen.
Bij deze test behoren onder andere de volgende subtests: natikken,
woordenspan, zinnen nazeggen en verhaaltje vertellen (Schroots & Van
Alphen de Veer, 1976).
Letterdictee
33 letterklanken (fonemen) worden aangeboden, de proefpersoon moet het
bijbehorende grafeem opschrijven, bij de /ij/, /au/ en /g/ moeten twee
grafemen geproduceerd worden, respectievelijk ij + ei, au + ou en g + ch
(Struiksma et al., 1997)
Leeftijdsgenoten
In dit programma worden hier kinderen mee bedoeld die evenlang lees- en
spellingonderwijs hebben genoten.
Luisteren 1
Met de toetsserie luisteren 1 kunt u de luistervaardigheid van uw
leerlingen bepalen. De toetsen meten de vaardigheid in het luisteren
naar gesproken taal. Luisteren wordt in het kader van deze toetsen
omschreven als het proces waardoor aan gesproken taal betekenis wordt
verleend.
Luisteren 1 heeft een tweeledig doel. De prestaties van uw leerlingen op
de toetsen geven u informatie over hun luistervaardigheidsniveau in
vergelijking met andere leerlingen èn over de ontwikkeling van hun
luistervaardigheid.
De toetsserie is bedoeld voor leerlingen in de groepen 3 en 4 van het
basisonderwijs. De toetsen zijn echter ook geschikt voor leerlingen in
het speciaal onderwijs (Krom, 1996a).
Luisteren 2
Met de toetsserie luisteren 2 kunt u de luistervaardigheid van uw
leerlingen bepalen. De toetsen meten de vaardigheid in het luisteren
naar gesproken taal. Luisteren wordt in het kader van deze toetsen
opgevat als het proces waardoor aan gesproken taal betekenis wordt
verleend.
Luisteren 2 heeft een tweeledig doel. De prestaties van uw leerlingen op
de toetsen geven u informatie over hun luistervaardigheidsniveau in
vergelijking met andere leerlingen èn over de ontwikkeling van hun
luistervaardigheid.
De toetsserie is bedoeld voor leerlingen in de groepen 5 en 6 van het
basisonderwijs. De toetsen zijn echter ook geschikt voor leerlingen in
het speciaal onderwijs.
Bovendien is de vaardigheidsschaal van luisteren 2 gekoppeld aan de
schaal van luisteren 1 (Krom, 1996b).
Luisteren 3
Met de toetsserie luisteren 3 kunt u de luistervaardigheid van uw
leerlingen bepalen. De toetsen meten de vaardigheid in het luisteren
naar gesproken taal. Luisteren wordt in het kader van deze toetsen
opgevat als het proces waardoor aan gesproken taal betekenis wordt
verleend.
Luisteren 3 heeft een tweeledig doel. De prestaties van uw leerlingen op
de toetsen geven u informatie over hun luistervaardigheidsniveau in
vergelijking met andere leerlingen èn over de ontwikkeling van hun
luistervaardigheid.
De toetsserie is bedoeld voor leerlingen in de groepen 7 en 8 van het
basisonderwijs. De toetsen zijn echter ook geschikt voor leerlingen in
het speciaal onderwijs.
Bovendien is de vaardigheidsschaal van luisteren 3 gekoppeld aan de
schaal van luisteren 1 en 2: de toetsseries voor respectievelijk de
groepen 3 en 4 en de groepen 5 en 6 (Krom, 1996c).
Lezen met Begrip I
Het pakket Lezen met Begrip I is een onderdeel van het
Leerlingvolgsysteem. Lezen met Begrip I weerspiegelt de vooruitgang die
er de afgelopen jaren geboekt is op het terrein van het volgen van de
leerlingen in hun vorderingen bij het leren lezen op het niveau van
groep 3 en 4. (Verhoeven, 1992).
|