|
HOME (www.orthopedagogiek.com)
Namen Leren (RAKIT)
Deze toets bestaat uit twaalf opgaven. Het kind krijgt tekeningen te
zien van dieren; bij elk dier wordt een bepaalde naam genoemd die het
kind moet onthouden. Daarna wordt de reeks nog tweemaal getoond waarbij
het kind gevraagd wordt bij ieder dier de bijbehorende naam te noemen.
Leeftijd van 4;2 tot 11;2 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Natikken (LTD)
Materiaal: Plankje met 4 kubussen
Twee hamertjes, ččn kort, ččn lang.
Het kind die de test ondergaat krijgt het korte hamertje. Degene die de
test afneemt (assistent) neemt zelf de lange hamer. Vervolgens wordt er
door assistent met de hamer op de blokjes getikt. Het kind moet goed
kijken op welk blokje de assistent eerst tikt en op welke blokjes
daarna. Als de assistent klaar is moet het kind de blokjes precies zo
natikken. Er zijn verschillende proefseries, die als er fouten gemaakt
worden door het kind herhaald moeten worden. De scoring vindt als volgt
plaats: een punt voor iedere goed nagetikte testserie.
(Schroots & Van Alphen de Veer, 1976).
Negatief faalangstig
Positieve en negatieve emoties en stemmingen beďnvloeden het leergedrag.
Het is belangrijk dat leerlingen hun emoties kennen en kunnen beheersen
om je op een taak te kunnen richten (Boekaerts & Simons, 1995). Emoties
spelen een belangrijke rol in het gedrag van mensen. Het zijn
veranderingen in het fysiologsiche systeem, die als
waarschuwingssignalen dienst doen. Ze onderbrekende de op gang zijnde
activiteiten en bereiden het lichaam voor op actie (Boekaerts & Simons,
1995). Angst is de meest onderzochte emotie. Het begrip angst is op
verschillende manier geoperationaliseerd. Heel wat onderzoekers hebben
aandacht besteed aan angst om te falen, angst om geëvalueerd te worden,
kortweg faalangst of negatieve faalangst (Boekaerts & Simons, 1995.
Faalangst of negatieve faalangst wijst er op dat de angst verlammend
werkt en de prestaties negatief beďnvloedt. In de literatuur wordt ook
wel eens over positieve faalangst gesproken. Hiermee wordt angst bedoeld
die toch resulteert in een goede of betere prestatie (Nieuwenbroek,
1991).
Leerlingen vergelijken de taakeisen (draaglast) met hun eigen
mogelijkheden om er aan te voldoen (draagkracht). Als deze verhouding
uit evenwicht is kunnen er problemen ontstaan (Boekaerts & Simons,
1995). Kinderen met ernstige lees- en spellingproblemen zullen door de
negatieve ervaringen die ze eerder met een lees- en spellingtaak hebben
opgedaan (falen) de draaglast van een lees -en/of spellingtaak
overschatten en de eigen draagkracht onderschatten. Er ontstaat een
negatieve taakbeleving en er sprake van negatieve stress. Deze stress
kan zich op verschillende manier uiten: buikpijn hebben, slecht slapen,
woede, verdriet etc. . Dyslectische kinderen kunnen al snel faalangstig
worden (Braams, 1998). Mogelijk dat ze daardoor een flinke hekel aan
lezen of zelfs aan school krijgen.
Belangrijk is om te kijken in hoeverre er sprake is van faalangst,
waardoor in de behandeling rekening gehouden kan worden met dit aspect.
Kinderen die blijven spellen tijdens het lezen hebben mogelijk een in
aanleg beperkt zelfvertrouwen. Door een niet zo'n succesvol leesproces
doen ze weinig of geen succeservaringen op, waardoor hun onzekerheid
toeneemt. Deze kinderen zullen "de zekere weg" van het spellen blijven
hanteren. Voor de behandeling is het van essentieel belang te
achterhalen of het spellen veroorzaakt wordt door problemen in de
taalontwikkeling of door faalangst.Kinderen kunnen uit faalangst echter
ook een radende strategie toepassen. Met name kinderen die ondanks veel
hulp weinig succeservaringen hebben opgedaan, kunnen overgaan op
veelvuldig raden. Kinderen die hun hulpverleners tegemoet willen komen,
hun leesplezier als het ware niet willen bederven, passen deze strategie
ook soms toe.De woordjes "de", "het", "een" worden regelmatig verkeerd
gelezen, dus verkeerd radend, wat de gevoelens van onzekerheid bij de
kinderen doet toenemen.
Niveau A, B, C, D of E
Niveau A: goed tot zeer goed. (+/- 25 % hoogst scorende leerlingen)
Niveau B: ruim voldoende tot goed (+/- 25 % net boven het landelijk
gemiddelde)
Niveau C: matig tot voldoende (+/- 25 % net onder het landelijk
gemiddelde)
Niveau D: zwak tot matig (+/- 15 % ruim onder het landelijk gemiddelde)
Niveau E: zwak tot zeer zwak (+/- 10 % laagst scorende leerlingen)
Opslaan en reproduceren van puur fonologische informatie uit het
werkgeheugen
Naast het bekijken van complexe fonologische taken is het belangrijk te
kijken in welke mate fonologische informatie kan worden opgeslagen in en
gereproduceerd uit het werkgeheugen. De complexe fonologische
vaardigheden, waaronder o.a. rijmen, auditieve synthese en analyse,
klankpositie bepalen, zijn bij oudere kinderen soms reeds ingeoefend.
Wanneer er geen toetsgegevens uit eerdere jaren aanwezig is, is het
moeilijk te bepalen of deze in het verleden mogelijk toch problemen
hebben opgeleverd. Bij het opslaan en reproduceren van puur fonologische
informatie hoeven de taken zich niet te beperken tot klanken,
klankclusters en woorden, maar kunnen ook lettertekens, cijfers of
plaatjes bevatten. De essentie is dat er informatie moet worden omgezet
in een fonologische code en in de volgorde onthouden en gereproduceerd
moet worden (Van der Leij, 1998). Zo is het voor veel dyslectici
moeilijk om bijvoorbeeld een serie cijfers te onthouden en te
reproduceren, aangezien hier geen enkele houvast wordt geboden behalve
de klank van het cijfer. Een aantal testen die hierbij vaak gebruikt
worden zijn de subtest Cijferreeksen uit de WISC-RN en Woordenspan uit
de LDT. Bij deze testen moet men er echter rekening mee houden dat er
tevens een beroep wordt gedaan op ‘kennis van hogere orde’ bv. woorden
en cijfers. De test Non-woord Repetitie Test (NRT) doet een zuiver
beroep op het fonologische component van het werkgeheugen zonder
inmenging van woordkennis (Van der Leij, 1998) en zou hier een uitkomst
kunnen bieden. De NRT (De Jong & Klapwijk, 1994) is een Nederlandse
bewerking van een test van Gather & Baddeley (1989). De testen geven aan
wat de score is die kinderen op een bepaalde leeftijd dienen te halen.
Performale capaciteiten
Enkele performale = non-verbale subtests binnen de WISC zijn
* Onvolledige tekeningen: Hierbij ziet men een aantal plaatjes waarbij
een belangrijk onderdeel ontbrak. De opdracht is om aan te geven welk
onderdeel dat was. Een voorbeeld hiervan is het plaatje van een bril
waarbij het verbindingsstuk tussen de glazen ontbrak.
* Blokpatronen: Hierbij gaat men zelf aan de slag met testmateriaal. Met
blokjes moet men patronen maken aan de hand van voorbeeldplaatjes. De
patronen worden steeds moeilijker.
* Plaatjes ordenen.
* Figuur leggen
* Substitutie
* Doolhoven
Performale capaciteiten zijn meer gericht op (ruimtelijk) inzicht. Bij
deze tests hoeft men weinig tot niet verbaal te antwoorden, maar bepalen
de handelingen de capaciteiten van iemand op deze subtests. (Vrije
Universiteit, 2000).
Plaatjes aanwijzen (LDT)
De subtest Plaatjes aanwijzen kan alleen in combinatie met de
LDT-subtest Woordenspan afgenomen worden. Daarbij moet Woordenspan
altijd als eerste aangeboden worden: het kind krijgt de opdracht om een
serie woorden te herhalen in dezelfde volgorde als zij door de
proefleider zijn aangeboden. Daarna moet het kind bij die woorden
behorende plaatjes aanwijzen, eveneens in de juiste volgorde.
Leeftijd van 4 tot 7;11 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Prestatie Motivatie Test voor Kinderen (PMT-K)
De doelstelling van de Prestatie Motivatie Test voor Kinderen (PMT-K) is
een bijdrage te leveren aan de optimale ontplooiing van de
persoonlijkheid van het kind of de jeugdige. De test is vooral bedoeld
als hulpmiddel bij de begeleiding. Zowel in de onderwijs- als in de
gezinssituatie. Het instrument is bruikbaar bij het verrichten van
research en kan tevens gehanteerd worden met het oog op de individuele
diagnostiek.
De motieven die door de PMT-K worden vastgesteld zijn het
prestatiemotief (P-schaal), de negatieve faalangst (F min schaal), de
positieve faalangst (F plus schaal) en het waarderingsmotief ofwel de
neiging om sociaal wenselijke antwoorden te geven (SW schaal).
Leeftijd 10 tot 16 jaar (Hermans, 1983). |