|
HOME (www.orthopedagogiek.com)
Verbale capaciteiten
Binnen de WISC worden verschillende onderdelen van de intelligentietest
onderverdeeld in twee aspecten van het IQ; Het verbaal IQ en het
performaal IQ. Enkele verbale subtest binnen de WISC zijn
* Informatie: In dit onderdeel worden vragen gesteld over cultuur,
geschiedenis en aardrijkskunde. Een voorbeeld is: In welk werelddeel
ligt de Sahara?
* Overeenkomsten: In dit onderdeel moet worden verteld in welk opzicht
twee woorden aan elkaar gelijk zijn. Bijvoorbeeld in welk opzicht zijn
vlieg en boom informatie van de WiSC aan elkaar gelijk?
* Rekenopgaven: Hoofdrekensommen die oplopen in moeilijkheidsgraad
bijvoorbeeld hoeveel is 2,5 dozijn?
* Woordenschat: Hierbij moet men zo kort en bondig mogelijk de betekenis
van woorden uitleggen, bijvoorbeeld wat is gereedschap?
* Begrijpen: ------
* Cijferreeksen: Bij dit onderdeel moeten cijfers en letters worden
nagezegd, waarbij de cijfers in oplopende volgorde en de letters in
alfabetische volgorde moesten worden geplaatst. Een voorbeeld is 8-a-j-3
en iemand moet dan zeggen 3-8-a-j.
Verbale capaciteit houdt dus in het vermogen wat iemand heeft om
antwoorden te formuleren op bovenstaande subtests. (Vrije Universiteit,
2000).
Verbale competentie
Bij verbale competentie geeft van der Leij aan dat het gaat om woord- en
wereldkennis, verbaal redeneren en luistervaardigheid.
Dit soort kennis wordt bij het lezen van een tekst gebruikt, om de tekst
goed te kunnen begrijpen. Is de verbale competentie goed of relatief
goed dan kan deze voor kinderen met lees en/of spellingproblemen
gebruikt worden in de behandeling als begripscompensatie. Het lees en/of
spellingprobleem zal hier niet mee verholpen worden, maar wel verlicht
en hanteerbaarder gemaakt (Van der Leij, 1998). Wil men de verbale
competentie meten dan moet men er aan denken dat de taken voor kinderen
met lees- en spellingproblemen niet schriftelijk zijn, zodat ze niet
belemmerd kunnen worden door hun decodeerproblemen. Verder is het van
belang te weten dat tests voor woord- en wereldkennis, verbaal redeneren
of luistervaardigheid, aangeeft wat de leerling van zijn omgeving heeft
opgestoken. Uiteraard zal dat minder zijn als er weinig talige
stimulatie is, of als het gezin zich van en andere taal bedient. In zo’n
geval is het beter om de verbale competentie te meten a.d.h.v. de
instructiegevoeligheid voor leerproef luistervaardigheid of een
leerpotentieel onderzoek met behulp van een verbale redeneertaak (bv.
Analogieën uit de RAKIT) (Van der Leij, 1998).
Verminderde gehoorfunctie
In een hiërarchisch model van leerstoornissen, geeft Dumont aan dat
gehoorscherpte, geluidswaarneming en geluidslokalisatie vallen onder
psychologische basisfuncties die als voorwaarde aanwezig moeten zijn om
specifieke auditieve taken uit te voeren (Dumont, 1985). Aangezien bij
lezen en spellen gebruik gemaakt wordt van specifieke auditieve taken is
het van belang dat men met zekerheid weet of er sprake is van een
eventueel verminderd gehoor.
Een voldoende gehoorscherpte is de eerste voorwaarde voor de spraak-
taalverwerving. Het jonge kind leert zijn moedertaal kennen door te
luisteren naar en om te gaan met de taalgebruikers om hem heen;
interactie is de basis voor de verdere taalontwikkeling. Er worden twee
soorten gehoorverlies onderscheiden: geleidingsstoornissen en
perceptiestoornissen. Geleidingsstoornissen komen het meeste voor. Het
betreft hier beschadigingen van de gehoorgang en het middenoor, meestal
ten gevolge van (herhaalde middenoorontsteking. Medische maatregelen
zoals het inbrengen van buisjes kunnen hier vaak verlichting brengen, en
ook gehoorapparatuur is vaak behulpzaam. Perceptiestoornissen worden
veroorzaakt door afwijkingen in het binnenoor, de gehoorzenuw, of in de
cerebrale verwerkingssystemen. Zij zijn veel minder toegankelijk voor
medisch ingrijpen, en ook gehoorapparatuur is hier niet altijd adequaat.
Het gaat namelijk niet alleen om verlies van gehoorscherpte, maar ook om
vervorming van geluid door het verschil in waarneming bij verschillende
frequenties. Bij kinderen is vooral ook wisselende slechthorendheid als
gevolg van ontstekingen van belang. Deze wordt vaak door de omgeving
niet herkend, en kan dan aanleiding zijn tot pedagogische conflicten,
wanneer ouders of leerkrachten niet herkennen dat het kind soms wel en
soms niet hoort wat er tegen hem gezegd wordt. Hierdoor kan emotionele
verwarring ontstaan die ernstige vormen kan aannemen en de verdere
spraak- taalontwikkeling negatief kan beïnvloeden. In onderwijssituaties
moet bij kinderen met opvallende schommelingen in de prestaties en
leemten in de kennis, ook altijd aan wisselende slechthorendheid worden
gedacht. De spraak- en taalmoeilijkheden van kinderen met gehoorverlies
zijn zeer gevarieerd. Veel kinderen hebben echter problemen op
fonologisch gebied, wat lees- en spellingprestaties kan beïnvloeden,
maar ook op semantisch, grammaticaal en pragmatisch gebied kan de
taalvaardigheid beperkt zijn en een samenhang vertonen met lees- en
spellingproblemen. Bepalend voor een optimale taalontwikkeling is de
leeftijd waarop eventueel gehoorverlies is ontstaan: hoe jonger het
kind, hoe ernstiger de gevolgen. In de geschiedenis van leesgestoorde
kinderen is er vaak sprake van een vertraagde of gestoorde
taalontwikkeling. Bij een deel van de dyslectische kinderen is sprake
van een correlatie tussen dyslexie en vroegere taalstoornissen.
Verminderde gezichtsfunctie
In een hiërarchisch model van leerstoornissen, geeft Dumont aan dat
gezichtsscherpte, binoculaire fusie, diepte-zien, convergentie,
accommodatie en scanning vallen onder zogenaamde psychologische
basisfuncties die als voorwaarde aanwezig moeten zijn om specifieke
visuele taken, als lezen, uit te kunnen voeren (Dumont, 1985).
Om normaal te leren lezen moet de visus normaal zijn evenals het
gezichtsveld en de oogbewegingen. Visuele perceptie en geheugen zijn
nodig, het hanteren van spatiële coördinatie en het aandachtig en
gericht kijken van links naar rechts.(Njiokiktjien, 1987).
‘Verschillende’ methodische motieven
Voor een behandeling van dyslexie kan een schoolse aanpak of remediëring
zeer zinvol en effectief zijn, als dit planmatig en methodisch gebeurt
(De Vries in Loonstra & Schalkwijk, 1999). Methodische motieven zijn
algemene richtlijnen die de aanpak bepalen (Van der Leij, 1998).
Methodisch gezien kan op school gebruik gemaakt worden van corrigerende,
remediërende, compenserende, stimulerende en dispenserende strategieën.
De twee belangrijkste begrippen voor de (ortho-)didactische aanpak zijn,
remediëren (letterlijk ‘verhelpen’) en compenseren (letterlijk ‘laten
opwegen tegen’). Dit betekent niet dat ze andere motieven uitsluiten.
Bij remediëren gaat het om het behandelen van het lees- en/of
spellingprobleem, door aan te grijpen bij de zwakke punten in het
beheersingspatroon. De bedoeling is om de leerling te krijgen tot een
acceptabel niveau van beheersing (Van der Leij, 1998). Bij compenseren
gaat het in een lees- en/of spellingbehandeling om aan te sluiten bij de
sterke punten in het beheersingspatroon van de te leren vaardigheid (Van
der Leij, 1998). De aanpak richt zich op het minimaliseren van de
gevolgen die leerlingen ondervinden van hun lees en/of
spellingproblemen. Dit gebeurt door leerlingen hulpmiddelen aan te
bieden om tot een correcte spelling te komen en faciliteiten die
voorkomen dat resultaten van het leren beïnvloed worden door hun
spellingproblemen (Henneman, 1994).
Andere methodische motieven zijn corrigeren, motiveren en dispenseren.
Corrigeren richt zich op het verbeteren van basale condities in fysieke
en/of psychische functies. Het gaat om voorwaarden van het leesproces,
niet om het leesproces zelf. Het gaat onder andere om de aanpak van
woordvindingsproblemen, discrimineren of uitspreken van spraakklanken,
stoornissen of ontwikkelingstekorten in basale psychische functies. Bij
motiveren gaat het in de behandeling om het bevorderen van de motivatie
voor het leren lezen en/of spellen: lezen en spellen voor het plezier en
het nut van het lezen en spellen op zichzelf (Van der Leij, 1998).
Belangrijk hierbij is om de instructie, de organisatie en de inhoud van
het onderwijs op de leerlingen af te stemmen en hen de zinvolheid van de
taak laten ervaren (Henneman, 1994). Tot slot gaat het bij dispenseren
om het geven van middelen en mogelijkheden aan de leerling om zijn
problemen met schriftelijke informatie te ontlopen (Van der Leij, 1998).
Een aanpak die de leerling ontheffing geeft van het bijvoorbeeld
schriftelijk uitvoeren van een bepaalde opdracht. Het gaat om opdrachten
waarvan het resultaat sterk negatief beïnvloed wordt (Henneman, 1994).
Vijftien-woordentest
Vijftien woorden worden voorgelezen (mondeling of via een
cassettebandje) waarna het kind deze woorden zoveel mogelijk moet
proberen te reproduceren.
Dit gebeurt vijf keer. Na circa vijftien minuten volgt een uitgestelde
recall. Eventueel kan ook een recognitietest afgenomen worden (Van
Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Visueel korte termijn geheugen
Informatie die middels kijkgedrag zoals observeren, lezen en/of het
volgen van programma’s op de televisie binnenkomt en die voor een korte
periode opgeslagen wordt zolang nodig blijkt te zijn.
Visueel lange termijn geheugen
Informatie die middels kijkgedrag zoals observeren, lezen en/of het
volgen van programma’s op de televisie binnenkomt en die voor een lange
periode wordt opgeslagen en bewaard. Deze informatie blijft altijd
toegankelijk en kan telkens weer opnieuw worden opgevraagd.
Visuele analyse
Het totale letterpatroon dat het woord vormt, wordt geanalyseerd in
zinvolle elementen (Struiksma et al., 1997).
Visuele discriminatie
Het richten van de aandacht op afzonderlijke letters die herkend moeten
kunnen worden (Struiksma et al., 1997).
Visuele synthese
De vaardigheid om combinaties van letters te herkennen (Struiksma et
al., 1997).
Voorbereidende auditieve analyse
Woorden analyseren in samengestelde lettergrepen of van samengestelde
woorden als <voetbal> aangeven welk woord overblijft als <voet>
weggelaten wordt (Van der Leij, 1998).
Volgens van der Leij is de voorbereidende analyse één van de complexe
taken die een tekort bekijken in de analyse van fonologische
deelvaardigheden. Wanneer een leerling minder goed in staat is om
voorbereidende auditieve analyse oefeningen uit te voeren dan zijn
leeftijdsgenoten, ondanks dat er instructie en oefening aan vooraf zijn
gegaan, kan er van een probleem met de voorbereidende auditieve analyse
gesproken worden. Het is ook mogelijk dat de leerling het nu (eventueel
door de vele oefening) wel kan, maar dat in het verleden is gebleken dat
de leerling duidelijk mee moeite had met voorbereidende auditieve
analyse oefeningen als zijn leeftijdsgenoten. Informatie over deze
vaardigheid kan verkregen worden uit eerder afgenomen objectieve toetsen
wat betreft voorbereidende auditieve analyse of door de toets uit het
onderdeel ‘auditief structureren’ uit de instapproeven niveau 3 (woorden
verdelen in lettergrepen) van het curriculum Schoolrijpheid deel 2B (In
den Kleef & Duighuisen, 1988). In de toets wordt aangegeven wanneer
wordt verwacht wat een leerling op een bepaald moment in het onderwijs
moet kunnen.
Voorbereidende auditieve synthese
Met afzonderlijk uitgesproken lettergrepen een woord samenstellen /sleu/
/tel/ (Van der Leij, 1998).
Van der Leij geeft aan dat voorbereidende synthese één van de complexe
taken die een tekort bekijken in de analyse van fonologische
deelvaardigheden. Wanneer een leerling minder in staat is om
voorbereidende auditieve synthese oefeningen uit te voeren dan zijn
leeftijdsgenoten, ondanks dat er instructie en oefening aan vooraf zijn
gegaan, kan er van een probleem met de voorbereidende auditieve synthese
gesproken worden. Het is ook mogelijk dat de leerling het nu (eventueel
door de vele oefening) wel kan, maar dat in het verleden is gebleken dat
de leerling duidelijk meer moeite had met voorbereidende auditieve
synthese oefeningen als zijn leeftijdsgenoten. Informatie over deze
vaardigheid kan verkregen worden uit eerder verkregen objectieve
toetsgegevens of door de toets uit het onderdeel ‘auditief structureren’
uit de instapproeven niveau 3 (lettergrepen samenvoegen tot een woord)
van het curriculum Schoolrijpheid deel 2B (In den Kleef & Duighuisen,
1988). In de toets wordt aangegeven wat een leerling op een bepaald
moment in het onderwijs moet kunnen.
Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS)
De WAIS is genormeerd voor personen van 16 tot 75 jaar en ouder en bevat
11 sub-tests. De eerste zes vormen het verbale deel en laten toe een
verbaal intelligentie-quotiënt te berekenen. De laatste vijf vormen het
performantiedeel en geven een performantie-IQ. Tevens wordt dan ook het
IQ voor de gehele schaal bepaald. De elf subtests zijn
* Informatie
* Begrijpen
* Rekenen
* Overeenkomsten
* Cijferreeksen – vooruit en achteruit
* Woordenschat
* Substitutie (woorden vervangen door andere woorden)
* Onvolledige tekeningen
* Blokpatronen
* Plaatjes ordenen
* Figuurleggen
Stinissen, Willems, Coetsier & Hulsman, 1970).
Werkgeheugen
Het geheugen voor informatie die nog maar minimaal bewerking heeft
ondergaan. Dit geheugen heeft een beperkte opslag capaciteit van zeven,
plus of min twee, informatie-eenheden. Het wordt ook korte-duurgeheugen
of korte-termijngeheugen genoemd (Braams, 1996).
Opm: Bij het testen van HB-kinderen zie je opslag
capaciteiten die veel ruimer zijn. (Voets, 2010)
Williams Delayed Memory Test (WDMT)
De test bestaat uit een aantal kaarten met daarop concrete figuren
getekend. Het kind krijgt de kaart met tekeningen gepresenteerd. Direct
na afloop (onmiddellijke reproductie) of na 10 minuten (uitgestelde
reproductie) wordt hem gevraagd te noemen welke tekeningen op de kaart
stonden. Voor de tekeningen die het kind niet weet worden cues gegeven.
Als het kind dan nog niet alle tekeningen weet, dan wordt de
multiple-choice-kaart aangeboden. Op deze plaat staan zowel de
oorspronkelijke tekeningen als nieuwe tekeningen. Er zijn twee versies,
waarvan er slechts één afgenomen hoeft te worden.
Leeftijd vanaf 6 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC-RN) inmiddels
vervangen door de WISC III 2002.
Populatie: Kinderen van 6 tot en met 16 jaar
Meetpretentie: algemeen intelligentie niveau
Toepassingswijze: Individueel
Duur: 2 à 2,5 uur
Beschrijving: De WISC-R is een test met 12 subtests waarvan 6 verbaal:
Informatie, Overeenkomsten, Rekenopgaven, Woordenschat, Begrijpen,
Cijferreeksen, en 6 niet-verbaal: Onvolledige tekeningen, Plaatjes
ordenen, Blokpatronen, Figuur leggen, Substitutie en Doolhoven. Elke
subtest heeft een oplopende moeilijkheidsgraad; voor elke leeftijd
worden begin-en afbreekregels gegeven; bij sommige subtests wordt met
tijdslimieten gewerkt. Interpretatie gebeurt door diagnostisch
geschoolde psycholoog of pedagoog.
Woordenspan (LDT)
Het kind krijgt de opdracht om een serie woorden te herhalen in dezelfde
volgorde als zij door de proefleider zijn aangeboden. Woordenspan wordt
normaliter in combinatie met een subtest Plaatjes aanwijzen van de LDT
afgenomen, maar kan ook afzonderlijk afgenomen worden.
Leeftijd van 4 tot 7;11 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Woordherkenning
Hieronder verstaan we het verbinden van een geschreven woordvorm met een
‘representatie’ (geheugensporen) van dat woord in het intern lexicon.
Die ‘representatie’ heeft betrekking op de volgende componenten: de
betekenis, de auditieve, de visuele en de spraakmotorische aspecten. Ook
de grammaticale functies die dat woord kan vervullen, maken er deel van
uit (Mommers et al., 1993).
Woordobjectivatie
Voor elk woord op tafel een blokje op tafel leggen; aangeven welk woord
‘reus / kabouter’ het langst is (Van der Leij, 1998).
Woordobjectivatie wordt door van der Leij aangehaald als een van de
complexe taken die een tekort bekijken in de analyse van fonologische
deelvaardigheden. Wanneer een leerling zwakkere woordobjectivatie heeft
dan zijn leeftijdsgenoten, ondanks dat er instructie en oefening aan
vooraf is gegaan, kan er van een probleem met woordobjectivatie
gesproken worden. Het is ook mogelijk dat de leerling nu voldoende
scoort op een toets die woordobjectivatie bekijkt (eventueel door de
vele oefening), maar dat in het verleden is gebleken dat de leerling
duidelijk meer moeite had met woordobjectivatie dan zijn
leeftijdsgenoten. In principe moet een leerling eind groep 2 in staat
zijn tot woordojectivatie. Informatie kan verkregen worden uit oude
toetsgegevens met betrekking tot woordobjectivatie of kan zelf getoetst
worden met het onderdeel ‘objectivatie’ uit de instapproeven niveau 2
van het curriculum Schoolrijpheid deel 2B (In den Kleef & Duighuisen,
1988).
Woordvolgorde (K-ABC)
Bij deze test krijgt het kind auditief een serie woorden aangeboden die
het moet onthouden. Door plaatjes aan te wijzen moet het kind de serie
woorden in de juiste volgorde produceren. Leeftijd van 4 tot en met 12;6
jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence (WPPSI)
Populatie Kinderen van 4 tot 6,5 jaar
Meetpretentie: Intelligentie
Toepassingswijze: Individueel
Duur: 50-75 minuten
Beschrijving: De test bestaat uit zes verbale subtests: Informatie,
Begrijpen, Rekenen, Woordenschat, Overeenkomsten en Zinnen en 5
performale subtests: Geometrische figuren, Blokpatronen, Doolhoven,
Onvolledige tekeningen, Dierenhuis.
Zelfbeeld
Het beeld dat een individu over zichzelf heeft opgebouwd. Dit is een
hypothetisch construct, dat wil zeggen het kan niet rechtstreeks gemeten
of geobserveerd worden. (Boekaerts & Simons, 1995)
Zelfbeeldlijst van Piers-Harris
De Piers-Harris zelfbeeldvragenlijst duurt ongeveer 15 tot 20 minuten.
Het meetinstrument, een vragenlijst is ontwikkeld voor kinderen van
verschillende leeftijden. De vragenlijst bestaat uit 80 items
onderverdeeld in een zestal factoren, te weten:
* Gedrag
* Intelligentie/ school
* Uiterlijk
* Angst
* Populariteit
* Tevredenheid/ geluk
De kinderen moeten de vragen beantwoorden met ja of nee. Enkele
voorbeeldvragen uit de vragenlijst zijn:
* Ik ben vaak verdrietig
* Als de meester mij roept, word ik zenuwachtig
* Ik ben een gelukkig kind
* Andere kinderen zeggen vaak: wij spelen niet met jou.
(Piers & Harris, 1969).
Zinnen nazeggen (WPPSI; LDT)
De subtest Zinnen nazeggen komt zowel voor in de WPPSI als in de LDT.
Bij deze test moet het kind iedere zin die door de proefleider wordt
voorgelezen letterlijk herhalen.
WPPSI: leeftijd van 4 tot 6 jaar.
LDT: leeftijd van 4 tot 7;11 jaar (Van Leeuwen in Kievit et al., 1992).
|