diagnostiek

website for educationalists and psychologists & Site Internet de psychopédagogie  

Start Omhoog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


ADHD Diagnostiek

Belangrijk bij de diagnosticering is specialistisch onderzoek en het nalopen van het classificatiesysteem van de DSM IV

  • Binnen de schoolsituatie is het aanbevolen om aan gedragsobservatie te doen.
  • CBCL (Child Behavior Checklist, vragenlijst van 4-18 jaar in te vullen door ouders of verzorgers)
  • TRF (Teacher Report Form) door de leerkracht in te vullen.
  • YSR (Youth Self Report) door de leerling zelf in te vullen.
  • Hyperactivity Disorder Test (Gilliam 1995, Haartmans 1998) Deze ADHD test bestaat uit 36 items, die volgens een 3-puntsschaal gescoord worden. Deze test geeft een ADHD-profiel.
  • De pedagogische kijk- en handelingswijzer.

CBCL, TRF en YSR geven een indicatie, die met de problematiek kunnen samenhangen

Vragen ten behoeve van de diagnostiek van ADHD

  • Zijn de criteria van de DSM IV van toepassing.
  • Zijn er neurologische aanwijzingen voor onrijpheid of hyperkinesi.
  • Zijn de problemen in de vroege jeugd begonnen.
  • Zijn er familieleden met ADHD
  • Past het kind zich gemakkelijk aan.
  • Kent het kind een goede ik-ander differentiatie.
  • Heeft het kind behoefte om met andere kinderen te spelen of te werken.
  • Blijft het kind actief wanneer het in gesprek is.
  • Is het kind in staat tot zelfreflectie.
  • Is er sprake van andere rijpingsstoornissen.
  • Is er sprake van leerstoornissen.
  • Zijn er omstandigheden die het gedrag van het kind verklaren.

Correct onderzoek is nodig

De diagnostiek van ADHD berust alleen op observeerbaar gedrag, niet op een verwijzing naar cognitieve processen.
* Overactiviteit verwijst naar een teveel aan bewegingen, zowel kleine onrustige bewegingen van een deel van een lidmaat zoals wriemelen, prullen en prutsen, als bewegingen van hele ledematen en van het hele lichaam.
* Onaandachtig gedrag manifesteert zich als een tekort aan aangehouden taakgerichtheid tijdens langdurige opdrachten, waarbij kinderen gemakkelijk afgeleid worden en zij snel overgaan van één (onafgewerkte) activiteit naar een andere. Dit verschilt van de apathische houding van kinderen en eveneens van de eerder nerveuze, opgejaagde afleidbaarheid van angstige, onzekere kinderen, types van gedragsstoornis die niet thuis horen in de meest recente criteria van ADHD volgens DSM.

Onderzoek naar die symptomen moet gebeuren in omstandigheden waarin dit gedrag zich kan tonen. ADHD-gedrag kan moeilijk vastgesteld worden in situaties waarin erg strikte controle uitgeoefend wordt op het gedrag van het kind, in situaties die volledig vreemd en nieuw zijn, of nog wanneer gewerkt wordt met een erg aantrekkelijke, interessante activiteit. Het overactieve, onaandachtige en impulsieve gedrag zal zich het meest tonen in omstandigheden die een aangehouden aandacht en mentale inspanning vereisen en die weinig aantrekkelijk, nieuw of belonend zijn, of ook in omstandigheden waarin het kind verwacht wordt rustig te zijn, zonder dat er veel toezicht of verstrooiing is. Het gaat er dus om het juiste gedrag in de juiste context te bevragen of te observeren. Het inschatten van de ernstgradatie van het ADHD-gedrag kan gebeuren via gestandaardiseerde gedragsvragenlijsten, waarop uitgezet wordt hoever een kind afwijkt van de gemiddelde norm voor zijn/haar leeftijd. Daarnaast dient er ook een klinische evaluatie te gebeuren van de weerslag van de symptomen op het dagelijks functioneren en de ontwikkeling van het kind.
Er zijn geen laboratoriumtests die bruikbaar zijn in de klinische diagnostiek van ADHD. Een testsessie kan niettemin een rijkdom aan informatie leveren, omdat het kind kan geobserveerd worden in een situatie waarin het ADHD-gedrag het meest waarschijnlijk zal tot uiting komen. Ook biedt de analyse van cognitieve sterke en zwakke punten en van de cognitieve denkstijl van het kind veel aanknopingspunten om verbanden te leggen tussen gedrag en leerprestaties.
 
drs. JPM de Pauw-Voets, orthopedagoog:
ADHD diagnose dient te worden vastgesteld door een kinderarts, in samenwerking met een psycholoog/orthopedagoog, een specialistisch team die observaties verricht. Er zijn veel foute diagnoses ontstaan doordat niet medisch geschoolde "specialisten"  diagnoses hebben gesteld.
Een (GZ-)psycholoog/orthopedagoog kan wel een vermoeden "ADHD" uitspreken, maar zal moeten doorverwijzen.

Aanbevolen website: http://www.uzleuven.be/diensten/kindergeneeskunde/patient/ADHD/

Copyright © 1998 www.orthopedagogiek.com te 's-Hertogenbosch NL
Laatst bijgewerkt: 19 maart 2008