|
|
|
| Dyscalculie De DSM IV omschrift niet specifiek de term dyscalculie, maar spreekt over een rekenstoornis (Mathematic disorder) Volgens de DSM IV (315.1 - (F81.2) ) is er sprake van een "Mathematic disorder" indien: a. de rekenkundige begaafdheid ligt, gemeten met een individueel afgenomen gestandaardiseerde test, aanzienlijk onder het te verwachten niveau dat hoort bij de leeftijd, de gemeten intelligentie en de bij de leeftijd passende opleiding van betrokkene. b. De stoornis van criterium A interfereert in significante mate met schoolresultaten of de dagelijkse bezigheid waardoor rekenen vereist is. c. Indien een zintuiglijk defect aanwezig is, zijn de rekenproblemen ernstiger dan die welke hier gewoonlijk bijhoren De term Dyscalculie: Definitie:
Dyscalculie is
een leerstoornis die ontstaat als gevolg van stoornissen in de
cognitieve (het kunnen omgaan met de verwerking van informatie en
kennis) ontwikkeling van het kind. Dit houdt het verwerken, organiseren,
bewaren en weer ophalen van informatie in de hersenen in. Stoornissen in
de cognitieve ontwikkeling kunnen het gevolg van een hersenbeschadiging
of erfelijk van aard zijn. Daarnaast kunnen stoornissen optreden bij
ernstige didactische en pedagogische verwaarlozing.
Wil men van
dyscalculie bij een kind spreken dan moet er sprake zijn van een
(ruime)achterstand in rekenen in vergelijking met leeftijdgenoten.
Daarnaast moeten er geen andere stoornissen en geen gestoorde
ruimtelijke ontwikkeling aanwezig zijn. De aanwezigheid van een stoornis
en of een afwijking in de ruimtelijke ontwikkeling kunnen ook als
oorzaak functioneren voor het voorkomen van rekenproblemen bij het kind.
In zo'n geval spreekt men van secundaire leerstoornissen. Men spreekt vaak
ook van dyscalculie als leerlingen blijvende en opvallende moeilijkheden
hebben met rekenvaardigheden en wiskunde en dit ondanks een normale
intelligentie. Deze leerlingen kunnen moeilijkheden hebben met het
begrijpen van de wiskunde, maar de moeilijkheden kunnen zich ook uiten
in opvallend veel rekenfouten zonder gemis aan begrip. Deze term (dyscalculie)
is minder bekend dan dyslexie. De letterlijke betekenis is: 'slecht
kunnen rekenen'. Als een kind niet goed kan rekenen heeft dat in de
basisschool minder consequenties dan als er met lezen iets aan de hand
is, omdat rekenen een veel kleinere rol speelt bij de andere vakken. Waarmee kunnen
problemen met rekenen zoal te maken hebben?
Als de oorzaak
niet in het bovenstaande ligt, dan moeten we kijken hoe het kind zich de
basisvaardigheden eigen maakt:
Pas als deze
problemen bij een goede begeleiding na 6 maanden van intensief werken
hardnekkig blijken te zijn, zouden we van kenmerken van dyscalculie
kunnen spreken. Er zijn ook kinderen die qua intelligentie een bepaald profiel laten zien. Deze kinderen ontwikkelen de praktisch intelligentie een stuk minder snel dan de taalgebonden intelligentie. Vaak spreekt men dan van een performale leerstoornis (Non-verbal Language Disorder) Dyscalculie volgens de raad voor Volksgezondheid Volgens de Raad voor de Volksgezondheid is een stoornis: ‘een verlies of afwijking van een anatomische structuur of een fysiologische of psychologische functie, met inachtneming van de leeftijd van de persoon’. Het is een functiestoornis met een neurologische of neuropsychologische basis. Wat is een rekenstoornis? (zie beschrijving: mathematic disorder) DSM IV, het handboek van psychische stoornissen, beschrijft een rekenstoornis (vrij vertaald) als: ‘rekenvaardigheden die duidelijk beneden het verwachte niveau liggen, met inachtneming van de leeftijd, de intelligentie en het gevolgde onderwijs, leidend tot flinke problemen op school of in het dagelijks leven en zonder dat dit het gevolg is van zintuiglijke tekorten’. Deze definitie geeft een aantal criteria, waaraan het rekenprobleem moet voldoen om het als een rekenstoornis te kwalificeren. Een verklaring voor de stoornis wordt er niet gegeven. Naar mijn mening is het van groot belang om meer inzicht te hebben in de verklarende factoren, de oorzaken, van de rekenstoornis. Weet je meer over de oorzaken, dan kun je gerichter gaan zoeken naar mogelijkheden om een kind te helpen. Hoewel er geen algemeen geaccepteerde criteria zijn die scherp afgrenzen wat wel en wat geen rekenstoornis mag worden genoemd, is er over de mate waarin dyscalculie voorkomt wel een redelijke overeenstemming. In internationaal onderzoek worden percentages rond de 6% genoemd. Rekenstoornissen zouden daarmee ongeveer net zo vaak voorkomen als leesstoornissen. Is dyscalculie vergelijkbaar met dyslexie? Een belangrijk verschil met dyslexie is dat rekenstoornissen zelden alleen lijken voor te komen. Vaak is er ook sprake van bijvoorbeeld een taalstoornis, een geheugenstoornis, een rijpingsstoornis, een aandachtsstoornis of een visueel-ruimtelijke stoornis. Een ander verschil is dat er bij dyslexie sprake is van één onderliggend probleem (de fonologische taalverwerking door de hersenen). Aan dyscalculie kunnen zeer uiteenlopende problemen ten grondslag liggen. Soorten dyscalculie Rekenstoornissen blijken zeer verschillend van aard te kunnen zijn. Dat is wel logisch: het kunnen rekenen is afhankelijk van een groot aantal vaardigheden: · telvaardigheid, · getalbegrip, · kennis van rekenhandelingen, · vertalen van een probleem in rekenhandelingen. Daarnaast doet het een beroep op allerlei cognitieve vaardigheden die niet specifiek zijn voor het rekenen zoals: · leesvaardigheid en · algemene probleemoplossende vaardigheden. Bovendien doet het een duidelijk appèl op het geheugen. Op elk genoemd gebied kunnen kinderen problemen hebben.Het is nodig om goed te kunnen tellen als je wilt rekenen. Peuters en kleuters die leren tellen gebruiken daar vaak een rijtje voorwerpen voor. Deze voorwerpen stellen het nummer voor en helpen om de draad niet kwijt te raken (de tel te houden). Kinderen met visueel-ruimtelijke problemen kunnen daardoor meer moeite hebben met het interpreteren van de betekenis van cijferrepresentaties en met het plaatsen van cijfers in de getallenrij. Van de rekenstoornissen is dit de eerste subtype: het visueel-ruimtelijke type. Als kinderen redelijk kunnen tellen, beginnen ze met optellen door de beide getallen te tellen: 3 + 4 wordt dan: ‘een-twee-drie, vier-vijf-zes-zeven’. Op een gegeven moment krijgen ze in de gaten dat doortellen sneller gaat: 3+4 wordt dan ‘drie heb je al, vier-vijf-zes-zeven’. Sommige kinderen zie je veel langer vasthouden aan de eerste telstrategie. Ze schakelen langzamer dan anderen over naar rekenprocedures die beter passen bij hun leeftijd. Dit is het tweede subtype: het procedurele type. Het tellen en optellen vindt plaats in het werkgeheugen. Dit is het korte duurgeheugen waarin de informatie beschikbaar is waarover je nadenkt (waarmee je werkt). Dit korte duurgeheugen heeft twee kenmerken waarin mensen verschillen: · de capaciteit (de hoeveelheid informatie die tegelijkertijd in het werkgeheugen past) kan groter of kleiner zijn en · de snelheid waarmee de informatie wegzakt uit dit geheugen kan uiteenlopen (dit wordt geheugeninterferentie genoemd). Het werkgeheugen van kinderen met rekenstoornissen bleek bij onderzoek gemiddeld een cijfer (element) kleiner te zijn en de snelheid van verval was groter.Dit speelt op twee manieren een rol bij het leren rekenen. Om een optelstrategie toe te passen moet je niet alleen de beide op te tellen getallen in je werkgeheugen beschikbaar houden. Je hebt ook capaciteit nodig voor de berekening. Hiernaast is het van belang dat de koppeling tussen de op te tellen getallen en het antwoord in het lange duurgeheugen wordt opgeslagen: naar mate je vaker een bepaalde optelling hebt uitgevoerd (bijv. 3+4) wordt de kans groter dat je de uitkomst van deze optelling op een bepaald moment uit je geheugen kunt terugvinden. Bij sommige kinderen wordt het werkgeheugen dermate overbelast dat er te weinig opslag in het lange termijngeheugen plaatsvindt. Het kan ook voorkomen dat de opslag wèl heeft plaatsgevonden, maar dat de toegang tot de kennis in het geheugen moeizaam verloopt. Dit is het derde subtype: het verbaalgeheugen type. Literatuur · Braams, T. (2000). Dyscalculie, een verzamelnaam voor uiteenlopende rekenstoornissen. Tijdschrift voor Remedial Teaching, 2000/4, 6-11. · Braams T. en D. Denis (2001). Getalbegrip: een noodzakelijke voorwaarde voor het leren rekenen. Tijdschrift voor Remedial Teaching, 2001/4, 16-20. · Menne, J.J. (2001), Met sprongen vooruit. Een productief oefenprogramma voor zwakke rekenaars in het getallengebied tot 100 – een onderwijsexperiment. Dissertatie Universiteit van Utrecht. · Ruijssenaars, A.J.J.M. (1992). Rekenproblemen. Theorie, diagnostiek en behandeling. Rotterdam, Lemniscaat.
. |
|
INTRAWORK
Webforms
(www.intraworks.nl)
Voor het digitaliseren en verwerken van instrumenten, checklists, vraaglijsten en formulieren.
Send mail to
jpmvoets@orthopedagogiek.com with
questions or comments about this web site.
|