|
| |
Faalangst
Soorten faalangst
-
Negatieve faalangst
-
Positieve faalangst
Soorten faalangst:
Negatieve faalangst:
Er is sprake van negatieve faalangst, wanneer de prestaties steeds
minder zijn dan wordt verwacht.
Een kind met negatieve faalangst vult zijn gedachten met allemaal
negatieve zaken voor of tijdens het presteren. Het gevolg is dat het kind
minder alert wordt op zijn taak en fouten gaat maken en zijn angst bij de volgende
prestatie weer vergroot wordt.
Positieve faalangst:
Een kind met positieve faalangst vult zijn gedachten ook met allemaal
negatieve zaken voor het presteren, maar tijdens het presteren ontstaan er
ook een zeker percentage positieve gedachten en die hebben betrekking op
de huidige taak.
Het gevolg is dat het kind alerter wordt op zijn taak en minder fouten
gaat maken. Na het presteren verdwijnen de positieve gedachten opnieuw.
Het kind meldt meestal dat het een slechte prestatie heeft geleverd en is
meestal uitgeput en overstuur.
Kenmerk of uitingen van faalangst:
-
Gebrek aan zelfvertrouwen
-
Negatieve attributies
-
Gespannen luisterhouding
-
moeilijkheden om aan een taak te beginnen
-
in paniek raken
-
na schooltijd nog werk af willen maken
-
stelt veel vragen
-
klapt dicht bij overhoring of beurt
-
aansporingen worden als extra druk ervaren
-
elke fout wordt als een persoonlijke nederlaag gezien
FAALANGST
1.1.
Wat is faalangst?
Faalangst
betekent letterlijk dat men bang is om te falen of te mislukken.
Het is dus angst, die optreedt als men iets moet doen waarbij men een
prestatie moet leveren en waarbij men kan mislukken.
Angst
te mislukken uit zich bijvoorbeeld in zaken als bang zijn voor een proefwerk, om
een spreekbeurt te houden, een vraag te stellen in de klas, iets voor te dragen
voor de klas, examenvrees,… .
Faalangst
gaat meestal samen met zaken als verlegenheid, geremdheid, snel blozen, de ogen
neerslaan als een ander naar hem of haar kijkt, … .
Faalangst hangt nauw samen met het zelfbeeld dat iemand heeft.
Faalangst
staat meestal niet alleen, maar gaat dikwijls gepaard met angst voor mensen.
Men noemt dit sociale angst. Men
is dan bang met anderen om te gaan, iets aan iemand te vragen, nee te zeggen als
iemand wat wil lenen of een beroep doet op hulp, een vraag te stellen.
1.2.
Twee soorten faalangst:
-
Positieve
faalangst (0- 25%):
Deze
vorm van faalangst is eigenlijk geen echte faalangst.
Bij deze vorm van faalangst gaat men juist beter functioneren dan men
normaal doet. De mouwen worden
opgestroopt en men valt aan. Daarbij
verwacht men resultaat.
-
Negatieve
faalangst (25- 75%):
Er
is een minderwaardigheidsgevoel op dit punt.
En klapt zogezegd wel een dicht. Er
zijn hartkloppingen. Hierbij is men
vrijwel zeker van de ondergang en men zou weg willen vluchten, maar men kan niet
wegvluchten. Men moet doorvechten
met een moed der wanhoop, omdat men weet dat het waarschijnlijk mis zal gaan.
Wanneer
men spreekt van ‘verlamd’ zijn (75- 100%), is er zodanig veel paniek,
onzekerheid dat men niet meer kan handelen.
1.3.
Hoe ontstaat faalangst?
Elk
kind is anders en heeft andere capaciteiten.
Sommige
ouders, opvoeders zijn ongeduldig en hebben weinig tijd of slaan een kind te
hoog aan. Anderen kunnen ook snel geïrriteerd
zijn, weer anderen hebben een eindeloos geduld.
De
ouders zijn de belangrijkste personen in een gezin.
Maar ook bv. een buurman,… kunnen een factor zijn in het ontstaan van
bv. faalangst.
Een
paar factoren zijn van belang bij het mislukken.
-
De
opdracht was te zwaar. Het kind
kon de opdracht niet aan.
Misschien
is het kind er nog te jong voor, misschien loopt hij wat achter op de anderen.
De opvoeder meent dat het kind iets welk kan en geeft het een bepaalde
opdracht. Het kind beantwoordt niet
aan de eisen en de opvoeder wordt kwaad. Dit
zal vooral gebeuren als het meerdere malen voorkomt.
-
Heftige
negatieve reacties op mislukkingen :
De
opvoeder kan uitvallen, maar ook snel nagaan wat er aan de hand is en
bijvoorbeeld zeggen dat het niet erg is, dat het toch wel erg moeilijk is, dat
het laat is of dat het aan de opvoeder zelf lift, dat de opvoeder dit niet had
mogen eisen,enz. De opvoeder kan de
schrik van het kind verminderen door allerlei rustige woorden te uiten en het
kind op zijn gemak te stellen.
-
De
opdracht duurt te lang :
Het
kind heeft een korte aandachtsboog en is vaak snel vermoeid.
Daar moet men rekening mee houden. Als
iets te lang gaat duren, moet het kind wel falen, omdat het geen zin meer heeft.
Een
slechte lichamelijk conditie, onduidelijke situaties, merken dat men geen tijd
voor je heeft, een lage intelligentie, een geringe algemene ontwikkeling,…
zijn nog factoren die vlugger kunnen leiden tot het hebben van ‘faalangst’.
1.4.
Aanpak
Preventief
werken:
Ook
in deze hulpverlening geldt het moto ‘Voorkomen is beter dan genezen’.
In
dit werkje som ik enkele dingen op om preventief rond te werken.
Ik ga hier niet uitgebreid op in omdat het volgende punt (verhelpen) meer
gericht is op mijn individuele leervraag die ik voorop heb gesteld.
-
Kinderen
leren omgaan met anderen, met vrienden, met klasgenootjes, … .
-
Leren
hoe men moet reageren op een fout of mislukking, leerdoelen kunnen stellen,
kinderen kunnen motiveren,… .
-
Mensen
zelfkennis bijbrengen waardoor ze minder kwetsbaar worden voor kritiek van
anderen.
-
Mensen
leren over menselijke relaties,… .
1.4.2.
Verhelpen :
Observeren
van personen met faalangst :
Een
eerste stap in het begeleiden van personen met faalangst is het grondig
observeren. Het is de taak van de
begeleider om na te gaan waar, hoe,… het probleem zich situeert.
Observaties door meerdere begeleiders is vaak nodig.
Een voordeel hierbij is dat ze zich eigenlijk een beetje gedwongen bezig
houden met het probleem van de faalangst waardoor
ze er ook meer oog voor gaan krijgen. Goede
observaties zijn uiterst belangrijk!
Onderzoek
met vragenlijsten :
In
Nederland en België (uitgeverij Swets te Lisse NL) worden de volgende
vragenlijsten gebruikt voor kinderen met faalangst:
PMT-
(k): Prestatie- Motivatietest (voor kinderen) van dr. P. Hermans.
De
PMT- k is bedoeld voor personen van 10 tot 16 jaar, de PMT voor mensen vanaf 16
jaar. In beide gevallen wordt de
leerling een vragenlijst voorgelegd met als schalen: het prestatiemotief,
negatieve faalangst en positieve faalangst.
De
SSAT (Situatie Specifieke Angst Test) :
Deze
test is gericht op het signaleren van angstgevoelens tijdens specifieke
situaties zoals: het terugkrijgen van een proefwerk, een schriftelijke
opdracht,… .
Er
worden 5 schalen onderzocht.
1.
Angst voor het niet kunnen
2.
Evaluatieve gevoelens
3.
Begeleidingsverschijnselen van angst
4.
Persoonlijke verantwoordelijkheid
5.
Vermijdingstendens
De
scores op deze vijf schalen resulteren in een angstindex (1,2,3) en een
vermijdingsindex (4,5).
Om
de faalangst te meten zou men ook een vragenlijst op sociaal gebied kunnen
voorleggen of een vragenlijst, die in de mate van assertief gedrag van de
leerling onderzoekt
De
leerlingen kunnen zelf ook een lijstje invullen, waarin zijn opgeven hoe zij
zichzelf zien.
(Zie
verder bijlage 1)
Het
instapgesprek
De
resultaten van de vragenlijsten worden ingebracht in een open gesprek met de
persoon, dat als instapgesprek kan worden gezien.
Allereerst
begint men uit te leggen waarover het gesprek zal gaan: de antwoorden op de
vragen uit de voorgelegde vragenlijst(en).
Het
doel van het gesprek is voor beiden een helder beeld van de leerling te krijgen
met het oog op een vorm van begeleiding, eventueel een training.
De inhoud zal bestaan uit de faalangst.
De
begeleider stelt bv. een item uit een vragenlijst aan de orde en laat de persoon
aan de hand van concrete voorbeelden vertellen hoe de feitelijke situatie bij
het item is (wat hij/ zij doe, hoe hij of zij denkt).
De
vraag of de persoon iets zou willen veranderen aan de situatie rond het
gedragsitem is essentieel. Met dit
alles kan de begeleider een globale indruk krijgen van de persoon.
Stencils
maken over allerlei onderwerpen, die de kinderen kunnen lezen:
Zo
is het ook zinvol om de kinderen stencils te bieden waarop de volgende
onderwerpen eventueel aan bod kunnen komen.
Door deze individueel door te nemen, leren ze vaak ook zichzelf beter
kennen en is het minder bedreigend.
De
stencils kunnen onderwerpen omvatten zoals positieve en negatieve faalangst,
kritiek na een mislukking, meningen en feiten,
overdrijven en bagatelliseren, hoe reageer je op kritiek, ketting van
negatieve ervaringen, belang van goede lichamelijke conditie, belang van korte
opdrachten, … .
Anti-
faalangst- training bij kinderen:
-
In
groepjes praten en oefenen van allerlei onderwerpen (zie bovengenoemde)
-
Op
kritiek leren reageren:
De
meeste personen met faalangst zijn enorm gevoelig voor kritiek.
Bij het minste of geringste worden ze bang, verlegen, gaan blozen, worden
zenuwachtig, gaan huilen of worden agressief en gaan schelden.
Dit zijn allemaal zogenaamde subassertieve wijzen van reageren.
De
meeste mensen met faalangst lachen op hun beurt anderen uit als die een fout
maken. Zij maken ook negatieve
opmerkingen, vaak op een overdreven manier, tegen zichzelf.
Enkele
oefeningen:
Vragen
wat de ander bedoelt, een ander leren aankijken, tegenover iemand zitten en
onaangename opmerkingen maken, met negatieve kritiek leren omgaan, ergens anders
over beginnen.
Soms
kraken ze ook complimentjes af. Door
hen te leren complimentjes te accepteren. Dus
bv. ‘dank je’, ‘fijn’ te zeggen, en het eventueel aan te vullen met iets
positief, komen ze anders over. Bv
Je hebt een mooie jurk aan. ‘Dank
je, dat vind ik zelf ook en de jurk zit ook lekker’ in plaats van ‘oh, die
heb ik al twee jaar en ook nog in de Hema gekocht voor maar 10 euro.
-
Met
vrienden en vriendinnen leren omgaan.
Veel
kinderen met faalangst, hebben moeite met het maken van vrienden.
Velen hebben een negatief beeld van zichzelf en voelen zich minder dan
een ander. Een aantal
gesprekken en oefeningen doen, zijn hiervoor vaak nodig.
Men kan kleine rollenspelletjes doen, men kan praten over zaken zoals
positieve opmerkingen maken, complimentjes of opmerkingen geven en men ‘het
slachtoffer ‘ daarop reageert. Men
kan vertellen hoe men eerst een paar goede opmerkingen moet maken, voor men op
een ‘fout’ wijst,… .
Als
je geleerd hebt elk deel van het lichaam apart te spannen en weer te ontspannen,
kun je het lichaam als geheel leren ontspannen (zie leren spannen en
ontspannen). Deze
lichaamsoefeningen worden soms in kleine groepjes, maar kunnen ook individueel
aangeleerd worden.
In
dit onderdeel probeert men de kinderen, personen met faalangst elk deel van het
lichaam apart te ontspannen, beginnend bij de voeten, dus beneden en eindigend
bij het hoofd.
Voorbeelden
van oefeningen : zie bijlage 2
-
Houding
bij lezen, schrijven,…verbeteren.
Als
men kinderen tijdens het lezen en schrijven observeert, is het ongelooflijk hoe
ze bezig zijn hun ogen te verpesten. Men
ziet veel kinderen veel te dicht met hun hoofd op het papier zitten, hoe ze hun
hoofd scheef houden, soms zelf op een arm liggen, hoe soms één oog dicht doen
om hun verkeerde hoofdstand en houding op te kunnen vangen.
Van
belang is de kinderen een betere houding aan te leren.
Leren
spannen en ontspannen :
Dit
kan al liggend, zittend en staand gebeuren.
Dit onderdeel wordt meestal individueel aangeleerd.
Zie
verder bijlage 3
-
Over
slaap, voeding,… praten :
Goede
voeding, voldoende slaap,… zijn van groot belang bij kinderen om goed te
kunnen functioneren.
Zie
bijlage 4: Theorie van Maslow.
Lichaamsconditie
verbeteren :
Individuele
gesprekken voeren met personen met faalangst:
Herstellen
van vertrouwen in minstens 1 volwassene, de helper :
Om
een persoon met faalangst te helpen, is het nodig dat de helper voldoende
inlevingsvermogen, warmte en echtheid biedt om een goede vertrouwensrelatie op
te bouwen.
Belangrijk
bij de benadering bij personen met faalangst is dat ze regelmatig worden
aangemoedigd, dat ze duidelijk zijn in het opleggen van opdrachten.
Over
angsten praten, leren ontspannen en angst doen verminderen.
Belangrijk
om oefeningen te beginnen is dat men er ontspannen aan begint.
Vervolgens
kan men over je angsten praten, wat de angst ook al een beetje doet minderen.
Het
meeste effect heeft men indien de personen met faalangst ontspannen moeten gaan
liggen en zich bepaalde situaties voorstellen.
Zo gauw iets te veel angst oproept, laat men die angst meteen los en
ontspant men weer. Na 30 seconden
roept men dat bepaalde beeld weer op, tot de angst te groot wordt en men zich
weer ontspant.
Sommige
dingen zijn zo akelig dat de mens er het liefste van af keert.
Als je iemand dwingt over iets akeligs te vertellen wordt diegene
misschien bang of gaat rationaliseren of zegt dat hij er overheen is, dat hij er
zich vrijwel niets van kan herinneren, dat het niet belangrijk is, hij zijn tijd
verdoet,… .
Je
kan de persoon het best eerst globaal zijn verhaal laten vertellen.
Hierdoor leert hij er naar kijken en gaat er al wat emotionele lading af.
Daarna laat men hem er nog eens een keer over vertellen.
Er zullen meer details naar boven komen.
Misschien zullen er ook meer emoties opkomen.
Als hij zijn adem inhoudt, is er meestal iets waar hij voor schrikt.
Laat hem doorademen en de emotie komt vrij.
Soms
moet je iets acht keer, van het begin tot het einde, laten vertellen.
Men moet doorgaan tot de deelnemer er volmaakt rustig over kan vertellen
en er vaak om moet lachen. Dat
lachen heeft te maken met de laatste lading die er vanaf vliegt.
Vaak komt iemand tot een bepaald inzicht.
Hij ziet bv. het verband tussen wat er toen gebeurd is en bepaalde
gedragingen, gevoelens,…van nu. Dat
moment van inzicht is vreselijk belangrijk en mag men niet missen.
Daar gaat het om. Zo lang die
‘klik’ niet gepasseerd is, weet men dat het nog niet helemaal duidelijk is.
Als
een bepaalde emotie er een is uit een ketting (gebeurtenissen van vroeger, die
er mee in verband staan), kan men vragen of er eerder iets gebeurd is, waar
datzelfde gevoel een rol in speelde, bv. angst voor honden.
Als iemand helemaal ontspannen is, kan men vragen terug te gaan naar de
oorzaak van een bepaalde angst. Binnen
drie tellen ziet hij de oorzaak. Als
de oorzaak niet gezien wordt, is hij niet goed ontspannen of hij wil het niet
zien. De kunst is dan het zover te
brengen dat hij de oorzaak wel ziet en door het ‘zwarte’ heen breekt.
Eigenwaarde
verbeteren en herstellen:
Er
zijn tal van therapieën om faalangst te minderen.
De een laat je het verdriet uithuilen, of de agressie eruit schreeuwen.
Een ander geeft ontspanningsoefeningen of laat iemand elke dag een
bepaald woord eindeloos herhalen, waardoor de geest rustiger wordt.
Weer een ander zegt dat er allerlei lichaamsoefeningen gedaan moeten
worden.
Al
die zaken helpen, maar het belangrijkste is inzien hoe je zelf bent, wat je zelf
kan.
Om
dit laatste na te gaan, kan men volgende oefeningen doen en samen bespreken:
Kaartjes
gebruiken om eigenschappen op te schrijven :
Men
kan ook nagaan welke positieve opmerkingen men wel eens tegen een ander heeft
gemaakt.
Waarin
is men beter als vroeger?
Welke
zaken heeft men tot een goed einde gebracht?
Noteer
situaties waarin men blij was.
Waarin
had men nog slechter kunnen zijn?
Maak
een lijst van veel gebruikt negatieve opmerkingen en de betekenis ervan nagaan
Maak
een lijst van tientallen situaties waarin je bang was.
Ga van een bepaalde gebeurtenis precies na hoe die verliep, wat je bang
maakte. Stel daarna de situatie
opnieuw voor en ga na hoe je had kunnen reageren ronder bang te worden.
Ga
na wanneer je iemand iets leerde,….
Het
besef herstellen dat men meer weet en kan dan men denkt.
Door
de resultaten van de vorige oefeningen te bekijken, maakt men de personen
duidelijk dat ze veel meer weten en kunnen dan dat ze zelf denken.
Dit
kan geoefend worden door woorden twee per twee te overleggen en daaruit kan men
besluiten dat men veel meer weet dan dat men denkt en kan.
Om
de verlegenheid te overwinnen, is het nodig dat de kinderen, personen met
faalangst thuis verder proberen om hun verlegenheid te overwinnen.
Enkele
oefeningen haal ik hier aan:
Minstens
elke week een persoon bezoeken, iemand vragen om ergens mee naar toe te gaan, op
allerlei mensen, vrienden letten, iets aardigs proberen op te merken en daarover
een complimentje maken, als iemand een complimentje geeft, jezelf niet afkraken,
iemand zeggen dat je hem of haar aardig vindt,… .
Gezinsbegleiding is ook erg belangrijk bij faalangst.
1.4.3.
Optimaliseren :
Studietechnieken
leren
Dit
wordt vaak in groepjes van personen rond dezelfde leeftijd gehouden, omdat
mensen op die manier vaak sneller leren dan van ‘hogergeplaatsten’.
Met
studietechnieken aanleren wordt bedoeld dat mensen met faalangst hun
woordenschat gaan uitbreiden, waardoor ze woorden beter in zinnen kunnen
gebruiken, een vraag durven stellen, hun spreekbeurt beter kunnen houden, … .
Via
rollenspelen, spreekbeurten te houden,… kan men dit leren.
Snellees
cursus volgen- Communicatietraining
Anderen
leren helpen, die minder goed zijn,… .
Volgens
de Amerikaanse psycholoog Maslow heeft elke mens vijf basisbehoeften
waaraan voldaan moet worden om tot een gezonde volwassene uit te kunnen groeien.
1.
Lichamelijke behoeften als goede voeding, voldoende slap, sport en lichamelijke
aanraking.
2.
Behoefte aan veiligheid en zekerheid. Het
kind heeft behoefte aan rust en duidelijke regels. Het
wil weten waar het aan toe is.
3.
Behoefte aan goede communicatie met ouders, broers en zusters, vrienden en
onderwijzers. Dit noemt men wel
‘sociale behoefte’.
4.
Behoefte aan erkenning. Het kind wil
het gevoel hebben da men van hem houdt, dat hij iets betekent.
5.
Behoefte aan zelfontplooiing. Daarvoor
moet het kind een omgang hebben, die hem de kans geeft zich te ontwikkelen.
Bv. goed speelgoed, veel praten over allerlei zaken, voorlezen, samen
veel uitgaan en allerlei dingen bezoeken.
Wat
te doen vanuit de theorie van Maslow?
Maslow
zegt, dat elk mens dat niet optimaal functioneert en daarom neurotisch is of aan
andere onvolkomenheden lijdt, tekort gekomen is waar de vier basisbehoeften
betreft. Hij is dan ook van mening
dat men als therapeut,… voor een relatie moet zorgen met de persoon waarin de
vier basisbehoeften alsnog aan bod komen.
1.
De proefpersoon moet voldoende slapen, goed eten.
Vele eten niet genoeg of juist niet. Of ze slapen niet voldoende en
onrustig. Adviezen op gebied van
voeding zijn daarom erg belangrijk. Uit
de praktijk blijkt dat deze zelden opgevolgd worden.
Als men door discussie de persoon zelf zover brengt dat hij zelf ziet wat
er aan de hand is, kan hij ook de conclusie trekken, dat hij anders moet leven.
Dat blijkt een goede aanpak, maar kost wat meer tijd en handig overleg.
Sport en iets doen aan de lichamelijke conditie is ook belangrijk.
In dit kader moet men aandacht geven aan ademhalingsoefeningen, het
uithoudingsvermogen verbeteren en hem leren zich te ontspannen.
Lichamelijke
aanraking is ook erg belangrijk. Het
kind moet niet bang zijn anderen aan te raken of aangeraakt te worden.
Spelletjes, waarbij men met elkaar stoeit, elkaar aanraakt, zijn van
belang.
2.
In de klas, thuis, op straat en op het schoolplein moet het kind zich veilig en
zeker voelen.
Het
moet weten waar het aan toe is. Daarom
moeten de regels duidelijk zijn, moet het weten
hoe er overhoord gaat worden, hoe het gestraft kan worden. Een autoritaire
situatie is meestal een onveilige situatie.
Duidelijkheid is niet hetzelfde als autoritair je wil opleggen.
Veiligheid kan op lichamelijk gebied liggen.
In verband hiermee zou men af moeten spreken dat men elkaar niet stompt,
slaat, aan de haren trekt of de stoel onder iemand vandaan trekt,…
Onveiligheid kan ook op emotioneel terrein liggen in de vorm van negatieve
opmerkingen, dreigen met blijven zitten,… .
3.
Goede communicatie. Steeds minder
ouders hebben tijd voor hun kinderen. Ze
kijken
liever
naar de televisie. Vaak werken vader
en moeder beiden. De ouders zijn
‘s avonds moe en willen ook wat ontspanning.
Het is begrijpelijk, maar gaat ten koste van de kinderen.
Dit alles hadden de ouders moeten weten voor ze gingen trouwen.
Er kan dus te weinig gecommuniceerd worden of op negatieve wijze.
Dreigen,
rot- opmerkingen, negatief persoonsgerichte opmerkingen,… zijn allemaal
autoritaire wijzen van gedrag, waardoor het kind een minderwaardigheidsgevoel
overhoudt, niets durft te vragen,… . Als docent, begeleider,… moet men daar
rekening mee houden. Het
kind moet het vertrouwen in de mensheid en in de volwassenen weet
terugkrijgen en het is geen eenvoudige opdracht dat tot stand te brengen.
4.
Behoefte aan erkenning, respect en liefde. Veel
kinderen hebben het geovel dat niemand
van
hen houdt, dat niemand iets in hen ziet. Door
tal van opmerkingen en gedragingen laten ouderen dit merken.
Het kind trekt daaruit de conclusie, dat hij ‘niet - okay’ is en
nergens voor deugt. Een helper of
opvoeder moet het kind weer het gevoel geven dat hij als mens gewaardeerd wordt
en niet op grond van zijn prestaties en resultaten.
Dit
tonen van respect moet wederzijds zijn. Het
kind moet de helper respecteren, in ieder geval als mens.
Respecteren betekent niet dat men de ander op een voetstuk plaatst.
Respecteren betekent, dat men aanvaardt dat de ander op bepaalde gebieden
wat meer weet, en misschien zelfs meer is, dan jezelf.
5.
Stimulerende omgeving. Veel kinderen
leven in een fantasieloze omgeving, waarin niets gebeurt, waar zelden over iets
interessants gepraat wordt, waar men op elkaar uitgekeken is en men elkaar niets
meer te zeggen heeft.
BIJLAGE
1 :
Hoe
zie je jezelf? (door leerling in te vullen)
Zet
een kruisje op het streepje, wat je kiest :
|
Vlot
Intelligent
Zelfstandig
Gezond
Bang
Aardig
Sportief
Rustig
Populair
Kan goed nee zeggen
Open, vrij
Kan tegen een stootje
Kan goed praten
Ontspannen
Niet bang om te mislukken
|
saai
dom
afhankelijk
ziekelijk
niet bang
chagrijnig
stijf- houterig, onhandig
zenuwachtig
weinig vrienden
durft geen nee te zeggen
geremd
snel gekwetst
slecht uit woorden komen
gespannen, bang
angstig om te mislukken
|
BIJLAGE
3 : LEREN SPANNEN EN ONTSPANNEN :
Er
bestaan verschillende manieren om je te ontspannen:
Liggend
ontspannen : De beste houding om je goed te ontspannen is op de grond gaan liggen,
op je rug, de voeten iets uit elkaar en naar buiten laten hangen, de armen naast
het lichaam met de handpalmen naar boven en de vingers iets gekromd.
Het beste is geen knellende kleren aan te hebben en geen strakke riem om
je middel, anders kun je niet goed met je buik ademhalen.
De kamer moet eigenlijk wat verduisterd zijn.
Dit om een beter resultaat te kunnen verkrijgen.
De persoon moet zich vervolgens op allerlei delen van het lichaam
concentreren en proberen de spieren te ontspannen en een zwaar en warm gevoel in
al die delen van het hele lichaam te voelen.
Als je het goed doet, voel je je zo zwaar als lood worden, alsof je door
de grond dreigt te zakken
Zittend
ontspannen :
Als
de persoon zit, moet hij ontspannen in een gemakkelijke leunstoel zitten, lekker
onderuit, benen uit elkaar en niet over elkaar geslagen.
Hij kan zijn handen op zijn bovenbenen of op de stoelleuning leggen.
Hij moet zijn schouders ontspannen laten hangen;
Men
ook in kleermakerszit gaan zitten; de benen gekruist, de handen op de knieën,
rechtop zittend, rustig in- en uitademend, de ogen gesloten.
Men
kan ook recht op een gewone stoel zitten, maar dan moet deze wel zo hoog zijn,
dat men de voeten gemakkelijk op de grond kan plaatsen zodanig dat de bovenbenen
evenwijdig aan de vloer lopen. De
handen legt men op de bovenbenen. Men
sluit de ogen, laat de schouders hangen en houdt het hoofd rechter.
Als men het hoofd goed rechtop houdt, kost dit weinig moeite.
Tevens kan men heel rustig in- en uitademen.
Bij deze methode mag men niet achterover leunen tegen de stoelleuning.
Een
andere houding is de koetsiershouding. Daarbij
heeft men de voeten een beetje naast elkaar, de handen in de schoot gevouwen of
naast elkaar in de schoot liggen en het hoofd laat man wat voorover hangen en de
ogen dicht. Ook de schouders moet
men laten hangen.
Staand
ontspannen :
Bij
het staan kan men de voeten iets naar buiten draaien en een weinig uit elkaar
houden. Men laat de schouders
ontspannen hangen, evenals de armen en handen.
Tevens blijft men rustig in- en uitademen.
Dit is een erg goede uitgangshouding bij het beantwoorden van vragen voor
het bord of houden van een gespreksbeurt. Deze
manier van staan moet men oefenen. Men
moet de grond goed voelen en voelen dat men er stevig staat.
Eerst met de ogen dicht. Later
met open ogen.
Het
beste kan men met liggen beginnen, dan met ontspannen zitten in een leunstoel,
dan met de koetsiershouding of rechtop zittend op een gewone stoel en daarna met
het ontspannen staan.
Faalangst
betekent dus dat men bang is om te falen of te mislukken.
Het is een angst die optreedt als men iets moet doen waarbij men een
prestatie moet leveren en waarbij men kan mislukken.
Faalangst is ondermeer een product van de omgeving en de opvoeding.
De
individuele aanpak is heel ruim, maar het belangrijkste is dat de personen
zichzelf, hun eigen mogelijkheden en beperkingen beter leren kennen en er mee
omgaan.
Het
is zeker geen gemakkelijke taak en het zal veel inzet en energie van de persoon
vragen.
BIBLIOGRAFIE
:
Pieter
Langedijk, Faalangst, 1980, Ankh- Hermes bv- Deventer, p. 184 Ard
Nieuwenbroek, Sander Reinalda, José De Vries, Handboek faalangsttraining,
1998, KPC Groep ‘s Hertogenbosch, p; 158
Dreesen
Hilde (2001)
|