|

www.beelddenkers.nl
| |
Hoe bereken je een
leerachterstand?
Voor het berekenen van
de leerachterstand is de volgende informatie nodig:
Huidige groep:
In
de meeste gevallen is dat groep 8.
Aantal doublures:
U
moet het aantal doublures melden vanaf begin groep 3. Nog een keer
groep 2 overdoen telt niet mee bij de berekening van de didactische
leeftijd.
Leergebieden:
Er
moeten recente toetsscores zijn op de vier leergebieden:
TL=technisch lezen
BL=begrijpend lezen
SP=spellen
RE=inzichtelijk rekenen
Recente scores, voor leerlingen die meedoen aan ‘De zorgleerling in beeld’,
zijn dat de toetsgegevens van eind groep 7 of begin groep 8 (met
uitzondering van de toets begrijpend lezen die slechts één keer per jaar
wordt afgenomen, in februari).
Volledige naam en versie
van de toets:
De
didactische toets moet voorkomen in de verplichte lijst van te gebruiken
toetsen. Jaarlijks stelt het ministerie deze lijst met toetsen vast.
Datum toetsafname:
Deze moet u vermelden en de toetsen uit het leerlingvolgsysteem moeten in
het lopende schooljaar zijn afgenomen.
Ruwe score:
De ruwe score moet altijd worden ingevuld.
Vaardigheidsscore:
Bij gebruik van toetsen uit het Cito-LVS moet u naast de ruwe score ook de
vaardigheidsscore invullen.
Didactische leeftijd:
De
didactische leeftijd (DL) is het aantal maanden dat een leerling onderwijs
heeft gehad. Elk schooljaar heeft tien onderwijsmaanden, te beginnen vanaf
september groep 3. De DL wordt berekend op basis van de huidige groep van de
leerling, het moment van toetsafname (groep en maand) en het aantal
doublures vanaf begin groep 3 (zie hieronder de kalender voor de
vaststelling van de DL).
Let op: de DL kan, voor de berekening van de relatieve leerachterstand,
nooit hoger zijn dan 60 (eind groep 8).
KALENDER VOOR
VASTSTELLING VAN DE DIDACTISCHE LEEFTIJD:
Moment van toetsafname bij:
Geen zittenblijver aangemeld vanuit groep 8:
|
september
|
oktober
|
november
|
december
|
januari
|
februari
|
maart
|
april
|
mei
|
juni/juli/aug
|
|
51
|
52
|
53
|
54
|
55
|
56
|
57
|
58
|
59
|
60
|
Geen zittenblijver aangemeld vanuit groep 7:
|
september
|
oktober
|
november
|
december
|
januari
|
februari
|
maart
|
april
|
mei
|
juni/juli/aug
|
|
41
|
42
|
43
|
44
|
45
|
46
|
47
|
48
|
49
|
50
|
Zittenblijver aangemeld vanuit groep 8:
|
september
|
oktober
|
november
|
december
|
januari
|
februari
|
maart
|
april
|
mei
|
juni/juli/aug
|
|
60
|
60
|
60
|
60
|
60
|
60
|
60
|
60
|
60
|
60
|
Zittenblijver aangemeld vanuit groep 7:
|
september
|
oktober
|
november
|
december
|
januari
|
februari
|
maart
|
april
|
mei
|
juni/juli/aug
|
|
51
|
52
|
53
|
54
|
55
|
56
|
57
|
58
|
59
|
60
|
Didactische
leeftijdsequivalent:
De
didactische leeftijdsequivalent (DLE) geeft het niveau aan dat door een
gemiddelde leerling wordt behaald na x maanden onderwijs. De DLE is een
omzetting van de op dat moment behaalde toetsscore conform de
omzettings-tabellen in het DLE-boek
Hoe bereken je de
relatieve leerachterstand?
Op
basis van de DL en de DLE kan je de relatieve leerachterstand van de
leerling berekenen. Bij beoordeling door de RVC (zie:
indicatiestelling) gebeurt dit met
onderstaande formules.
Criterium om in aanmerking te komen voor Leerwegondersteunend onderwijs is
een relatieve leerachterstand van 0,25 tot 0,50. Het criterium om in
aanmerking te komen voor Praktijkonderwijs is een relatieve leerachterstand
van 0,50 of meer.
Let op:
het criterium leerachterstand is niet het enige criterium; ook intelligentie
en eventuele sociaal-emotionele problematiek tellen mee!)
|
Criterium voor
leerachterstand
LWOO:
|
Criterium voor
leerachterstand
PrO:
|
|
1 – (DLE/DL) ≥
0,25 en < 0,50
|
1 – (DLE/DL) ≥
0,50
|
Enkele voorbeelden:
Voorbeeld 1
De
berekening van de didactische leeftijd (DL):
Leerling A. zit in groep 8 van de basisschool en is nog nooit blijven
zitten. Zijn leerachterstand wordt vastgesteld in maart (het toetsmoment).
Op dat ogenblik heeft hij een didactische leeftijd van 57 (de berekening van
de didactische leeftijd gaat als volgt: de periode van groep 3 tot en met
groep 7 beslaat vijf jaar van tien onderwijsmaanden elk en telt dus voor
5
x 10 = 50 onderwijsmaanden. In de toetsmaand maart van groep 8 zijn reeds
zeven onderwijsmaanden van dat leerjaar verstreken: 50 + 7 = 57. De
didactische leeftijd van leerling A. is dus 57. )
De
berekening van de didactische leeftijdsequivalent:
Uit de Begrijpend Leestest voor groep 8 van het basisonderwijs (Aarnoutse,
1993) blijkt dat leerling A. een score haalt van 17 ( = aantal goed). Deze
score komt volgens het DLE-boek overeen met een didactische
leeftijdsequivalent van 47.
De
berekening van de relatieve leerachterstand:
Leerling A. heeft volgens de formule 1 – (DLE/DL) een relatieve
leerachterstand op begrijpend lezen van 1 – (47/57) = 0,18 (afgerond). Op
basis van deze relatieve leerachterstand komt leerling A. voor wat betreft
begrijpend lezen niet in aanmerking voor Leerwegondersteunend onderwijs. De
achterstand is namelijk kleiner dan het criterium 0,25. In de praktijk gaat
het natuurlijk om leerachterstanden op vier gebieden.
Voorbeeld 2
Leerling B. zit in groep 7 en is nooit blijven zitten. Leerling B. wordt
getoetst in juni. De DL is dan 50. Op de toets presteert de leerling gelijk
aan een DLE van 34. De relatieve leerachterstand is vervolgens 1 – (34/50)
= 0,32. Leerling B. voldoet voor dit leergebied aan het criterium voor
Leerwegondersteunend onderwijs.
Voorbeeld 3:
Leerling C. zit in groep 8 en is een keer blijven zitten in groep 6. Voor de
doublure krijgt deze leerling er tien onderwijsmaanden bij, maar de DL kan
nooit meer zijn dan 60. Hij heeft dus gedurende het hele leerjaar in groep 8
een DL van 60 ongeacht de maand waarin hij wordt getoetst. Op de toets
presteert de leerling gelijk aan een DLE van 32. De relatieve
leerachterstand is vervolgens 1 – (32/60) = 0,47. Leerling C. voldoet voor
dit leergebied aan het criterium voor Leerwegondersteunend onderwijs.
Voorbeeld 4:
Leerling D. zit in groep 7 en heeft groep 5 gedoubleerd. Voor de doublure
krijgt deze leerling er tien onderwijsmaanden bij. Leerling D. wordt
getoetst in februari op begrijpend lezen. Zijn DL is dan 46 + 10 = 56. Op
de toets presteert de leerling gelijk aan een DLE van 25. De relatieve
leerachterstand is vervolgens 1 – (25/56) = 0,55. Leerling D. voldoet voor
dit leergebied aan het criterium voor Praktijkonderwijs.
|