|
Observatielijst
PDD-NOS
|
|
| Leesstoornis volgens de DSM IV (code 315.00) A. Het leesniveau ligt, gemeten met een individueel afgenomen
gestandaardiseerde test voor leesvaardigheid of begrip, aanzienlijk onder het te
verwachten niveau dat hoort bij de leeftijd, de gemeten intelligentie en de bij
de leeftijd passende opleiding van betrokkene. Wanneer is er sprake van een leesstoornis? Toelichting Zie verder in http://www.orthopedagogiek.info Project: Langlopend onderzoek naar vroege kenmerken van dyslexie Vroege kenmerken leesstoornis: Pas wanneer de taalfunctie bij een kind volledig ontwikkeld is, kunnen we met zekerheid vaststellen of er sprake is van een leesstoornis. Het kind heeft dan vaak al een deel van de basisschool doorlopen. De achterstand en de mogelijke emotionele en sociale gevolgen kunnen daardoor al flinke invloed hebben op het kind. Om de nadelige gevolgen van dyslexie te beperken of zelfs te voorkomen, is het belangrijk dat we een methode vinden waarmee we zo vroeg mogelijk kunnen voorspellen of een kind dyslexie zal ontwikkelen. Bij voorkeur vindt die voorspelling kort na de geboorte plaats. Dit onderzoek moet ons hiervoor de aanwijzingen opleveren. In het langlopend onderzoek testen we kinderen uit de risicogroep op hun ontwikkeling in taal, spraak, horen en zien. Dit zijn kinderen met een ouder met leesstoornissen plus minstens één ander familielid van de baby uit de eerste of tweede graad. Dat kan de andere ouder of een broer, zus, oom, tante, opa of oma zijn. De resultaten vergelijken we met die van een controlegroep. Die bestaat uit kinderen waarbij geen leesstoornis voorkomt in de familie. Het is voor het onderzoek vooral belangrijk dat juist die laatste groep kinderen meedoet. De aanwijzingen die we zoeken, hebben te maken met de ontwikkeling van het spreken en het begrijpen van taal. Deze ontwikkeling start al vroeg na de geboorte. Daarom volgen we het kind vanaf twee maanden na de geboorte. Tot zes weken na de geboorte kunnen ouders hun baby aanmelden voor het onderzoek. We testen het gedrag en de hersenactiviteit bij taalopdrachten. Elke test bestaat uit kleine opdrachten die zijn afgestemd op de belevingswereld van het kind. Met behulp van speciale apparatuur brengen we de ontwikkeling in kaart. In het eerste levensjaar komt het kind drie keer op bezoek: met twee, vijf en elf maanden. Van het tweede tot en met het vijfde jaar staat er elk halfjaar een bezoek gepland. Vervolgens vindt er nog een bezoek plaats als het kind acht jaar is. In het tiende jaar is de taalfunctie volledig ontwikkeld en kunnen we in de eindtoets met zekerheid vaststellen of er sprake is van dyslexie. Verder worden de meeste onderwerpen besproken in deze website. U moet wel even de moeite nemen om dan verder te zoeken. Veel informatie vindt men op http://www.kennisnet.nl/
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Send mail to
jpm.voets@orthopedagogiek.com with questions or comments about this
web site.
|