|
Observatielijst
PDD-NOS
|
|
| Rekenstoornissen (volgens de DSM IV 315.1) A. De rekenkundige begaafdheid ligt, gemeten met een individueel
afgenomen gestandaardiseerde test, aanzienlijk onder het te verwachten niveau
dat hoort bij de leeftijd, de gemeten intelligentie en de bij de leeftijd
passende opleiding van betrokkene. DSM IV, het handboek van
psychische stoornissen, beschrijft een rekenstoornis (vrij vertaald)
als: ‘rekenvaardigheden die
duidelijk beneden het verwachte niveau liggen, met inachtneming van de
leeftijd, de intelligentie en het gevolgde onderwijs, leidend tot flinke
problemen op school of in het dagelijks leven en zonder dat dit het
gevolg is van zintuiglijke tekorten’. De
term ‘dyscalculie’ wordt door velen niet makkelijk in de mond
genomen. Terecht. Deze term duidt aan dat het om een disfunctie
gaat, een stoornis. Je zult dus eerst moeten vaststellen of een kind een
rekenprobleem of een rekenstoornis heeft. Rekenproblemen
horen bij het leren rekenen Hoewel er geen algemeen
geaccepteerde criteria zijn die scherp afgrenzen wat wel en wat geen
rekenstoornis mag worden genoemd, is er over de mate waarin het voorkomt
wel een redelijke overeenstemming. In internationaal onderzoek worden
percentages rond de 6% genoemd. Rekenstoornissen zouden daarmee ongeveer
net zo vaak voorkomen als leesstoornissen. Drie
subtypen Rekenstoornissen blijken zeer verschillend van aard te kunnen zijn. Dat is wel logisch: het kunnen rekenen is afhankelijk van zeer uiteenlopende vaardigheden:
Daarnaast doet het een beroep op allerlei cognitieve vaardigheden die niet specifiek zijn voor het rekenen als:
Bovendien doet het een
duidelijk appèl op het geheugen. Op elk genoemd gebied kunnen kinderen
problemen hebben. Tellen Het is nodig om goed te kunnen tellen als je wilt rekenen. Peuters en kleuters die leren tellen gebruiken daar vaak een rijtje voorwerpen voor. Deze voorwerpen stellen het nummer voor en helpen om de draad niet kwijt te raken (de tel te houden). Kinderen met visueel-ruimtelijke problemen kunnen daardoor meer moeite hebben met het interpreteren van de betekenis van cijferrepresentaties en met het plaatsen van cijfers in de getallenrij. Van de rekenstoornissen is dit de eerste subtype: het visueel-ruimtelijke
type. Als kinderen redelijk kunnen tellen, beginnen ze met optellen door de beide getallen te tellen: 3 + 4 wordt dan: ‘een-twee-drie, vier-vijf-zes-zeven’. Op een gegeven moment krijgen ze in de gaten dat doortellen sneller gaat: 3+4 wordt dan ‘drie heb je al, vier-vijf-zes-zeven’. Sommige kinderen zie je veel langer vasthouden aan de eerste telstrategie. Ze schakelen langzamer dan anderen over naar rekenprocedures die beter passen bij hun leeftijd. Dit is het tweede
subtype: het procedurele
type. Het tellen en optellen vindt
plaats in het werkgeheugen. Dit is het korte termijngeheugen waarin de
informatie beschikbaar is waarover je nadenkt (waarmee je werkt). Dit
korte termijngeheugen heeft twee kenmerken waarin mensen verschillen: de
capaciteit (de hoeveelheid informatie die tegelijkertijd in het
werkgeheugen past) en de snelheid waarmee de informatie wegzakt uit dit
geheugen (dit wordt geheugeninterferentie genoemd). Dit is het derde
subtype: het verbaalgeheugen
type. Het
visueel-ruimtelijke subtype De kenmerken van visueel-ruimtelijke rekenstoornissen (dat minder lijkt voor te komen dan de twee andere types) zijn:
Problemen met
visueel-ruimtelijke verwerking worden doorgaans gekoppeld aan een
disfunctie van de rechter hersenhelft (met name de visuele cortex). Met
name in de beginfase van het tellen, waar het tellen nog erg leunt op de
concrete voorwerpen die geteld worden, lijken de visueel-ruimtelijke
vaardigheden van belang te zijn. Ze geven houvast bij het ‘op een
rijtje houden’ van wat je al hebt geteld en wat je nog moet tellen. Bij de aanpak van dit type rekenproblemen zou men twee didactische strategieën kunnen gebruiken: gebruik maken van concrete materialen voor het tellen zoals de getallenlijn, rekenrekken of het MAB-materiaal. Als dit onvoldoende effect heeft, kan het echter nodig zijn om de juiste compensatie te zoeken voor de zwakke visueel-ruimtelijke verwerking, door de visueel gepresenteerde opgaven of aanwijzingen zeer uitdrukkelijk (en herhaald) talig aan te bieden: ‘dit symbooltje betekent dat je …… moet doen’ of ‘hier zitten vier mensen in de bus, hier zitten er nog maar twee in de bus, hoeveel zijn er dan uitgestapt?’ Het
procedurele subtype De kenmerken van procedurele rekenstoornissen zijn:
In een vroeg stadium uiten
procedurele problemen zich al bij het tellen: kinderen ‘vertellen’
zich vaker en zijn sneller de tel kwijt. Vermoedelijk gebruiken ze
daarom vaak langer hun vingers als geheugensteuntje bij het tellen en
duurt het langer voordat ze gaan doortellen. In een later stadium hebben
deze kinderen moeite met de toepassing van rekenalgoritmes: het volgens
vaste algemeen geldende stappen toewerken naar een uitkomst. Ook bij dit subtype zal er langer van concrete materialen gebruik moeten worden gemaakt dan normaliter het geval is. Daarbij is het belangrijk om een tel- of rekenprobleem zo veel mogelijk op één manier aan te bieden: bij het gebruik van allerlei benaderingen door elkaar raakt het kind de draad kwijt. Het heeft behoefte aan één vaste procedure, aan één vaste manier van berekenen. Hoe meer wegen er worden bewandeld om bij de oplossing te komen, hoe onoverzichtelijker het wordt. Kinderen met aanpakproblemen hebben veel meer houvast aan een ‘ouderwetse’ voorschrijvende rekenmethode dan aan moderne methoden die allerlei oplossingsstrategieën toelaten. Het
verbaalgeheugen subtype De kenmerken van verbaalgeheugen rekenstoornissen zijn:
Het gaat dus om een
rekenstoornis die niet zozeer met het rekenbegrip te maken heeft, als
wel met het vlot cijfermatig toepassen van eenvoudige bewerkingen.
Ruijssenaars (1992) noemt dit het ‘verbaal-calculatieve aspect’. Uit
onderzoek blijkt dat dit geheugenprobleem zowel met het werkgeheugen als
met het lange termijngeheugen te maken heeft. Er is een grote hoeveelheid
wetenschappelijke literatuur waarin wordt gemeld dat dyslectische
kinderen problemen hebben met verbale geheugentaken (Brady, 1991; Badian,
Duffy, Als en McAnulty, 1991). Niet alleen hebben dyslectische kinderen
vaak een werkgeheugen van een beperktere capaciteit, ook het beschikbaar
krijgen van lexicale informatie uit het lange termijngeheugen lijkt meer
moeite te kosten. Er zijn grote verschillen in
de mate waarin dyslectische kinderen verbale geheugenproblemen hebben.
Mijn persoonlijke ervaring is dat kinderen met een lichte dyslexie pas
bij het leren van grote hoeveelheden feitjes (woordjes leren) echt
problemen krijgen. Als kinderen naast fonologische problemen ook een
geringe verbale geheugenspan hebben (een korte termijngeheugen met een
beperkte capaciteit voor het onthouden van verbale informatie), hebben
ze vaak meer moeite met het begrijpen en onthouden van instructies, met
het leesbegrip en met het onthouden van tussenuitkomsten en
tussenstappen bij het (hoofd)rekenen. Als kinderen een nog ernstiger
verbale geheugenproblematiek hebben (wij spreken dan van dyslexie-plus:
dyslexie met een bijkomend probleem) die niet alleen tot uitdrukking
komt bij het geheugen op korte termijn maar ook op de lange termijn,
zien wij vaak een beperkte leerbaarheid. Dit heeft niet alleen voor het
lezen en spellen, maar ook voor het leren van andere schoolvakken
gevolgen. De oorzaak van de dyscalculie
van het type ‘verbaalgeheugen’ lijkt te liggen in de linker
hersenhelft (net als dyslexie). Het is waarschijnlijk het meest
voorkomende van de hier beschreven subtypen. De stoornis is mogelijk
erfelijk. Een voorwaarde voor
behandeling van rekenstoornissen van het verbaalgeheugen type is dat de
stof die moet automatiseren voor de volle honderd procent ‘begrepen’
wordt: het optellen en aftrekken tot twintig en de tafels moeten op een
perfect getalinzicht en begrip van bewerkingen rusten. Eindeloos
dooroefenen zonder dat het kind voldoende inzicht heeft, heeft geen zin.
Vervolgens is het zinvol om leuke leerstof en hulpmiddelen te gebruiken:
het optellen en aftrekken tot twintig gaat soms beter als het kind thuis
veel spelletjes speelt waarbij gerekend moet worden (bijvoorbeeld
Yahtzee en Triomino’s). Hulpmiddelen bij het tafels leren zijn het
materiaal van Pico Piccolo, Tafelbingo, dobbelstenen, flitskaartjes met
antwoorden op de achterkant. Natuurlijk moet je kinderen ook
‘handig’ maken met de tafels. Rekenstoornissen
zijn niet altijd makkelijk in te delen Naar rekenstoornissen is
betrekkelijk weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan, zeker als je het
vergelijkt met leesstoornissen. De theoretische kennis over dyslexie is
veel uitgebreider en diepgaander dan die over dyscalculie.
Rekenstoornissen zijn lang niet altijd in een van de drie beschreven
types te vangen. Vaak vertoont een kind kenmerken van twee of drie
types. Soms zijn er dan meerdere oorzaken voor de rekenproblematiek. Het
kan ook voorkomen dat een stoornis van een type leidt tot kenmerken van
een ander type: bijvoorbeeld een gebrekkig getalinzicht leidt tot
problemen met automatiseren van de sommetjes tot twintig en van de
tafels. De twee beschreven cases laten dit zien. De beschrijving van drie
subtypen rekenstoornissen moet daarom eerder beschouwd worden als een
‘werkmodel’ dan als de ‘werkelijkheid’. Ook een provisorisch
werkmodel kan handvatten voor behandeling geven. |
|
Send mail to
jpm.voets@orthopedagogiek.com with questions or comments about this
web site.
|