te Boxtel en omgeving
De rijschool voor mensen met faalangst en leerproblemen

ORTHOPEDAGOGIEK WEBSITE

 Aanvraagformulier intelligentietest (capaciteitenonderzoek)

 

 

 

 

Home Up Indeling Indicatiestelling Inhoud DSM IV Begrippenlijst Links Aanmelden English Francais

 

 


Een disharmonisch ontwikkelingsprofiel, in de volksmond de verbaal/performaal kloof onderzocht.

Verbaal: onderdelen met taal
Performaal: onderdelen zonder taal
 
Note: er is nog weinig onderzoek verricht in het intelligentiegebied > 130 punten.
In mijn praktijk is de maximaal behaalde bovenscore 157 op de WISC III
Disharmonische profielen bij de WISC III komen in vrijwel alle intelligentiegebieden voor. (Range IQ 70 - IQ 140)
De Wisc III, RAKIT en de SON geven onderling nog al eens significante verschillen in de gemeten intelligentie.
Om hoogbegaafdheid goed te meten is naast een intelligentietest een afzonderlijke taaltest aan te bevelen.
Een taaltest is naast de intelligentietest een zeer goede leervoorspeller.
Een gymnasium leerling (klas 2) met een IQ op de WISC van 108 blijkt het erg goed te doen, dank zij de hoge score op de verbale onderdelen van de WISC III (VIQ 134) Het verschil tussen haar VIQ en PIQ score was 37 IQ punten.
We kunnen hieruit concluderen dat het VIQ (Verbale intelligentie) een grote rol speelt bij het schools leren.
 
RS IQ Perc 5% betrouwbaarheidsinterval
Verbaal VIQ 69 125 95 114-131  
Performaal PIQ 42 88 21 80-100  
Totaal 111 108 70 100-115  
VB (Verbaal begrip) 61 134 99 123-139  
PO (Perceptuele org.) 34 90 25 81-102  
VS (Verwerkingssnelh.) 18 94 34 84-105  
 
De term verbaal-performaal-kloof is ontstaan als een gevolg van de meetmethode die bij de WISC III gehanteerd wordt. Men meet er enerzijds het verbale IQ (het VIQ) mee, en anderzijds het performale IQ (Het PIQ). Het verbale IQ is een meting van alles wat betrekking heeft op woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen, enz… , Rekensommen worden in de vorm van (verbale) redactiesommen aangeboden, maar rekenen in het algemeen telt niet mee in de waarde van het Verbale IQ. Het performale IQ is een meting van hoe je praktisch omgaat met je kennis. Hoe los je bijvoorbeeld een praktisch probleem op. Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar evengoed een aantal inzichten, zoals bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht. Dit onderdeel is meer praktisch handelend dan kennis gerelateerd: figuren leggen, onvolledige tekeningen, blokpatronen, plaatjes in een logische volgorde leggen, etc. Op een non-verbale, handelende manier maak je zichtbaar wat je kunt.

Note: De redactiesommen bij de WISC III geven maar gedeeltelijk het rekenvermogen weer. Het zou nuttig zijn om naast deze redactiesommen het "technisch rekenen" te bekijken. (Tafels, delen, staartdelingen enz.)

Een disharmonisch ontwikkelingsprofiel betekent een verschil in verbale prestaties tegenover performale prestaties of andersom.

De term verbaal-performaal kloof verwijst naar een gemeten verschil in de prestaties op de onderdelen van de WISC III die tot het verbale en performale IQ worden gerekend. Wanneer dit verschil 15 punten of meer is, is er in statistisch opzicht sprake van een significant verschil. (Zie: Kaldenbach)

Een wetenschappelijke onderbouwing voor de term verbaal/performaal kloof, en alle problemen die hier aan gekoppeld worden is er niet. Dat er een discrepantie wordt gemeten tussen verbaal en performaal is wel mogelijk. Een conclusie wordt in veel gevallen niet gegeven. Als er een discrepantie gemeten wordt tussen verbaal en performaal is het belangrijk eerst op zoek te gaan naar verklarende en beïnvloedbare factoren. Maar is voor hoogbegaafden deze discrepantie wel zo bijzonder?

In 2002 heeft Judith Reuver,  bij  het Centrum voor Begaafdheids Onderzoek te Nijmegen, een onderzoek gedaan om verheldering te scheppen in de vele opvattingen rondom een discrepantie van het verbale en performale presteren. Verrassende en interessante gegevens die uit dit onderzoek naar voren komen, is dat 50% van de hoogbegaafde kinderen een discrepantie van 9 punten vertonen,  maar het gaat natuurlijk vooral om verschillen van 15 punten, want pas bij dit verschil wordt er gesproken van een “kloof”,
 
Uit onderzoek binnen de Nederlandse normgroep blijkt dat bij 50% van de kinderen een verschil van 9 punten gevonden worden en bij 25% van de kinderen een verschil van 15 punten (ongeacht de richting P/v v.s V/p). Het behalen van een significant verschil is dus geen abnormale gebeurtenis en men kan zich dus afvragen in hoeverre het behalen van een dergelijk verschil echt zorgelijk is.

Frequentie van voorkomen van absolute V-P verschillen van een bepaald aantal punten (of meer) binnen de Nederlandse normgroep voor alle leeftijden (6-16 jaar) tezamen.

ABSOLUUT VERSCHIL VIQ - PIQ    % KINDEREN MET EVEN GROOT OF GROTER VERSCHIL 
     
  50% 
14    32% 
15    25% 
17    20% 
19    15% 
22    10% 
26    5% 
34    1% 
     

[Bron: De Bruijn e.a., 1986. Wechsler Intelligence Scale for Children – Revised, Nederlandse Uitgave: scoring en normen]

Als je rekening houdt met deze frequentie van voorkomen, zou het eigenlijk beter zijn om pas van een significant verschil te spreken rond de 19-22 punten (bij resp. 15-10%). Er zou dus eigenlijk een verschil gemaakt moeten worden tussen statistische significantie op basis van betrouwbaarheidsintervallen en 'statistical abnormality' (volgens Kaufman).
 
Deze percentages zijn over de hele normgroep, dus rondom het 'gemiddelde' kind. Veel interessanter is de frequentie van voorkomen van bepaalde verschillen binnen onze doelgroep. Het % kinderen met een verschil van een bepaalde grootte neemt namelijk toe naarmate het IQ toeneemt. De vorige frequentietabel overschat in grote mate de abnormaliteit van V-P discrepanties bij kinderen met een hoog IQ. Voor een betere interpretatie is een andere tabel die hier rekening mee houdt geschikter. (De tabel gebaseerd op de Amerikaanse normgroep).

Note: Het is mij niet duidelijk uit welk onderzoek dit daadwerkelijk blijkt. Naarmate het IQ hoger wordt zou volgens mij het interval moeten worden aangepast. In de lage intelligentiegebieden tussen de 70-90 is het ook minder aannemelijk dat er een "kloof" is. Met een IQ > 130 lijkt mij de kloof in het geheel niet meer relevant.

Hieruit kun je bijvoorbeeld aflezen dat een verschil van 15 punten bij slechts 10% van de kinderen in de Amerikaanse normgroep voorkomt (rechterkant van de tabel), maar dat dit bij kinderen met een dominant PIQ of VIQ > 140 bij bijna de helft voorkomt (linkerkant van de tabel).
Dit is door Silver en Clampit onderzocht en zij stellen daarom dat V-P verschillen die typisch zijn voor een bepaalde groep binnen de groep met een hoger IQ niet tegelijkertijd 'verdacht' zijn of vanzelfsprekend duiden op een pathologische achtergrond. (note: Dit lijkt mij een logische conclusie)
 
Tenslotte het allerbelangrijkste: De beperkingen van genormeerde en gestandaardiseerde tests als de WISC-RN (inmiddels vervangen door de WISC III) in het algemeen. Deze tests zijn bedoeld om de algemene intelligentie te meten van mensen met gemiddelde capaciteiten. De normering en standaardisering is dus op deze groep gebaseerd. De schalen zijn dan ook bedoeld voor mensen die scoren tussen de 70 en 130. Je zou kunnen stellen dat dit dus een beperking van de test is, maar Wechsler zelf zegt dat het de beperking van de gebruikers is als deze het gebruiken voor het toekennen van waarde aan verschillen binnen de groep extremen (IQ < 70 of >130).
Willy Peters heeft hierover ook eens gezegd dat een verschil in scores >130 eerder toe te wijzen is aan toevalsfactoren dan dat dit van statistische betekenis is, omdat er simpelweg te weinig data is om hierbinnen verantwoord te kunnen differentiëren. (De steekproefgrootte is hier per definitie klein, omdat er nu eenmaal veel minder mensen in de normgroep zitten met een IQ>130 om een betrouwbare steekproef te kunnen vormen binnen deze groep van boven de 130). (Note: zie mijn opmerking bovenaan de pagina)

Het verschil tussen kinderen met een discrepantie of zonder discrepantie en schoolproblemen is niet gevonden (onderzoek Judtith Reuver), en het is dus niet uitzonderlijk dat hoogbegaafde kinderen een discrepantie tussen verbaal en performaal vertonen.

In de COTAN gids (De beschrijvingen en beoordelingen van 457 tests zijn neergelegd in het omvangrijke tweedelige naslagwerk Documentatie van Tests en Testresearch (2000), kortweg COTANgids genoemd). staat het volgende vermeld.”Voor het verschil tussen Performaal IQ (PIQ) en Verbaal IQ (VIQ) wordt erop gewezen dat een statistisch significant verschil nog niet hoeft te betekenen dat het verschil uitzonderlijk is.” Een frequentieverdeling van de verschilscores ontbreekt echter. Zelfs de correlatie tussen PIQ en VIQ is in de handleiding niet te vinden.

Wat betekent dit in de praktijk, dat er teveel waarde gehecht wordt aan de discrepantie tussen verbaal en performaal score? Daar lijkt het wel op. De WISC IV een nieuwe intelligentietest, de opvolger van de WISC III die al vanaf 2003 in Amerika en vele andere landen gebruikt wordt, laat het klassieke onderscheid tussen een verbale en een performale schaal los. In plaats daarvan worden vier factoren ('index scores') onderscheiden: Verbaal Begrip, Perceptueel Redeneren, Werkgeheugen en Verwerkingssnelheid.

Note: Pearson de uitgever van de WISC III geeft aan dat de WISC IV niet wordt uitgegeven. Het wachten is op de WISC V.

Bij hoogbegaafdheid en verstandelijke beperking worden aanvullende aspecten genoemd ter overweging bij de indicatiestelling, waaronder respectievelijk creativiteit en sociale redzaamheid. Binnen deze klinische benadering is aanpassing van de testprocedure mogelijk bij uitval op bepaalde subtests om te onderzoeken welke onderliggende cognitieve processen de lage prestatie kunnen verklaren ('doortesten' waar het misgaat)

Helaas duurt het nog zeker tien jaar voordat de nieuwe WISC IV op de Nederlandse markt verschijnt. Tot dan zullen er heel wat kinderen met hun ouders naar huis worden gestuurd met de mededeling dat zij een v/p of p/v discrepantie hebben, dat dit een probleem moet zijn, zonder verdere uitleg en zonder dat ouders handvatten krijgen wat, hoe en waarom men hier verder mee moet.  En helaas zullen er mensen zijn die deze discrepantie als een kloof blijven zien. Maar gelukkig over c.a tien jaar bestaat de “kloof”niet meer, maar zal men zich er op richten om te kijken bij eventuele problemen waar deze vandaan kunnen komen.

Ria Meijer september 2008 met dank aan Desirée Houkema voor vele waardevolle tips. (Bron: Pharos)

© Pharos 2008

 

Home ] Up ]
Send mail to jpm.voets@orthopedagogiek.com with questions or comments about this web site.
Copyright © 2014
Last modified: 4/12/2014