|
website for educationalists and psychologists & Site Internet de psychopédagogie Informatieve website voor o.a. capaciteitenonderzoek zie: www.orthopedagogiek.info
|
|
| Note: webbeheerder Gezien het belang van dit artikel heb ik het geplaatst. Toestemming aangevraagd, maar er is geen reactie gegeven. Als er bezwaar wordt aangetekend, zal ik het verwijderen. U kunt het ook opzoeken via: www.google.nl Trefwoorden: testen, diagnostiek, wisc III, wais III. Bron:
Uit:
De Psycholoog,
december 2002 Afname
van de WAIS-III of WISC-III Verantwoord
en verstandig? Peter
Tellegen Nu
bekend wordt dat de normgroepen van de WAIS-III en van de WISC-III niet
representatief zijn, beginnen gebruikers zich af te vragen of ze er wel
verstandig aan doen de nieuwe tests af te nemen. Kan niet beter worden gewacht
tot goede normen beschikbaar zijn? Wanneer
van een goed bekend staande en veel gebruikte test een nieuwe versie verschijnt,
zullen de meeste testgebruikers niet aarzelen deze aan te schaffen. Voor
intelligentietests is een doorslaggevend argument dat men niet langer met sterk
verouderde normen wil werken. De nadelen van de kosten van aanschaf, de noodzaak
om zich opnieuw in te werken in de test en de gewenning aan nieuwe normen, wegen
niet op tegen het besef dat alleen met goede normen verantwoorde diagnostiek
mogelijk is. Het is dus niet verwonderlijk dat de wais-iii
die begin 2001 is uitgebracht, en de wisc-iii
die deze zomer verscheen, al door veel psychologen en (ortho)pedagogen worden
gebruikt. Van de wisc-iii zijn in
vijf maanden tijd zelfs al meer dan 1.200 exemplaren verkocht.
Het is begrijpelijk dat het oordeel van de cotan,
de Commissie Test Aangelegenheden Nederland, niet wordt afgewacht. Voor de wais-iii
heeft het bijna twee jaar geduurd voordat de test is beoordeeld. De wais
en de wisc-r zijn indertijd positief beoordeeld, de normen kregen het
predikaat ‘goed’. De wais-iii
wordt uitgebracht door een grote Nederlandse testuitgever en de ontwikkeling van
de nieuwe versie en de samenstelling van de normeringsgroep zijn begeleid door
een gerenommeerd psycholoog. De wisc-iii
is uitgebracht door het ndc, het nip
Dienstencentrum dat kwaliteitsbevordering als doelstelling heeft. Twee van de
Nederlandse auteurs van de wisc-iii
zijn tevens auteur van de rakit,
één van de best beoordeelde intelligentietests. Op grond hiervan kon men zeker
vertrouwen hebben in de kwaliteit van de wais-iii
en van de wisc-iii.
Inmiddels staat de
representativiteit van de normgroepen van deze tests ter discussie, en daarmee
de bruikbaarheid van de nieuwe normen. Dit heeft gevolgen voor de beantwoording
van de vraag of het verantwoord is, en verstandig, de wais-iii
en de wisc-iii te gebruiken. De
normen van de WAIS-III Al
in het eerste jaar dat de wais-iii
uitkwam, verschenen kritische artikelen in De
Psycholoog over de kwaliteit van de normen en over de extreem grote
veranderingen in scores in vergelijking tot de oude wais (Kessels & Wingbermühle, 2001; Van der Laan &
Oswald, 2001). In een reactie daarop van Swets Test Publishers worden deze
veranderingen verklaard met het Flynn-effect (Uterwijk, 2001). In de Technische
Handleiding (Uterwijk, 2000) stelt Swets Test Publishers dat de normering is
gebaseerd op een representatieve steekproef. Omdat gebruik is gemaakt van een
naar opleiding gestratificeerd steekproefplan, kan de gebruiker volgens Swets
Test Publishers ervan uitgaan dat de normgroep een representatieve weergave is
van de volwassen bevolking uit het Nederlands taalgebied. De informatie over de
verdeling van opleidingen zou gebaseerd zijn op bevolkingsgegevens van het cbs
uit 1995. Een tabel met daarin de aantallen in de steekproef naar leeftijd,
opleiding en sekse, geeft de representativiteit van de steekproef weer. Aldus
Swets Test Publishers (Uterwijk, 2000).
Pas nadat in De Psycholoog een artikel is verschenen waarin aannemelijk wordt
gemaakt dat het opleidingsniveau in de normeringssteekproef van de wais-iii
niet representatief kán zijn (Tellegen, 2002a), wordt door Swets Test
Publishers erkend dat de normen niet goed zijn en dat een hernormering wenselijk
is (Span, 2002). Ook is onderzocht wat het effect op de normering is van een
weging naar opleidingsniveau, gebaseerd op cbs-gegevens.
Daaruit blijkt een toename van de iq-scores
van gemiddeld ongeveer 2 punten. Het wegingsonderzoek was beperkt tot de
leeftijd van 65 jaar. Mogelijk zijn de benodigde correcties bij de ouderen
groter.
De uitgever geeft aan nauwkeurige normen dermate belangrijk te vinden dat
men op korte termijn aanvullende gegevens voor een hernormering zal verzamelen.
Tevens zal met meer gedifferentieerde leeftijdsgroepen worden gewerkt om te
vermijden dat tussen groepen grote verschuivingen in de normen plaatsvinden.
Bovendien zal gebruik worden gemaakt van het normeringsmodel van Tellegen
waarmee leeftijdsnormen nauwkeuriger kunnen worden bepaald (Laros & Tellegen,
1991, p. 156). In een mailing heeft Swets Test Publishers de gebruikers hierover
geïnformeerd (zie: <www.testresearch.nl>). De
normen van de WISC-III De
wisc-iii is uitgebracht met een
Handleiding (Kort et al., 2002) die aanzienlijk meer informatie bevat over de
constructie en kenmerken van de test dan de Afname- en Scoringshandleiding van
de wais-iii. In de Technische
Handleiding van de wisc-iii, die
mogelijk in het voorjaar van 2003 zal verschijnen, zal achtergrondinformatie
worden gegeven over de constructie van de test en zullen de resultaten worden
vermeld van nog uit te voeren valideringsonderzoek, test-hertestonderzoek, en
onderzoek naar de overeenstemming met de wisc-r.
Volgens de Handleiding is per leeftijdsgroep een naar sekse en schooltype
gestratificeerde steekproef getrokken, voor Nederland gebaseerd op gegevens van
het cbs. Voor kinderen uit het voortgezet onderwijs is een zo
goed mogelijke verdeling naar niveau aangehouden. De wijze waarop het
normeringsonderzoek is uitgevoerd roept echter vraagtekens op. In de Handleiding
wordt niet vermeld dat het aantal leerlingen per niveau bij het voortgezet
onderwijs sterk afwijkt van cbs-gegevens.
Ook wordt niet vermeld dat in België bij het voortgezet onderwijs geen
zittenblijvers zijn getest. Op grond van een globale schatting kwam Tellegen
(2002b) tot de conclusie dat bij de oudere leeftijdsgroepen het iq
gemiddeld ongeveer drie punten te laag zal uitvallen. In de begeleidende brief bij een overzicht van
correcties op de Handleiding, laat het ndc
de gebruikers weten dat bij een door hen uitgevoerde berekening niet zodanige
verschillen naar voren kwamen dat aanpassing van de normen nodig is (zie: <www.testresearch.nl>).
Bij deze herberekening is er echter van uitgegaan dat de Belgische steekproef
voor de oudere kinderen wel representatief is, en wordt het percentage
havo/vwo-leerlingen in de populatie vermoedelijk te hoog geschat. Helaas is het
niet mogelijk om een discussie te voeren over het effect van de gebreken van de
steekproef op de berekening van het IQ. Het ndc
is niet bereid inzage te geven in het stratificatieschema dat bij de normering
is gebruikt en aan te geven op grond van welke cbs-tabellen
dit schema is samengesteld. Het NDC is zelfs niet ingegaan op ons verzoek mee te
delen in welk jaar het normeringsonderzoek heeft plaatsgevonden.
Het ndc heeft wel besloten
om over te gaan tot twee-maandelijkse normgroepen in plaats van
vier-maandelijkse. Er wordt rekening mee gehouden dat uit aanvullende gegevens,
die nu verzameld worden, toch zal blijken dat correcties moeten worden
uitgevoerd in verband met de verdeling van de schooltypen. Op grond van wat nu
bekend is over de steekproef van de wisc-iii
lijkt het zeer waarschijnlijk dat correcties noodzakelijk zijn. De
grootte van de correcties Tussen
de iq-scores die nu berekend
worden, en de iq-scores die straks
volgens de nieuwe normen bepaald worden, zullen discrepanties bestaan. De
grootte van het verschil kan beschouwd worden als een systematische meetfout die
nu optreedt als gevolg van een steekproeftrekking en normering die niet optimaal
zijn. Op grond van deze meetfouten zullen de scores van de oudere kinderen bij
de wisc-iii, en van de volwassenen
bij de wais-iii, straks
vermoedelijk gemiddeld 2 à 3 iq-punten
hoger zijn. Aangezien bij de nieuwe normering ook de spreiding van de scores kan
veranderen alsmede de vorm van de verdeling, kunnen veranderingen verwacht
worden van 1 tot 4 iq-punten.
Daarbij komen dan nog de veranderingen door het gebruik van smallere
leeftijdsintervallen, of door berekening van de iq-score
met een computerprogramma waarbij de normen op de exacte leeftijd worden
gebaseerd. Bij de jongere kinderen van de wisc-iii
geeft dit correcties variërend van -3 tot +3 punten. Bij de oudere kinderen zal
dit variëren van -1 tot +1 punt. Bij de wais-iii
zijn voor een aantal leeftijdsgroepen de correcties gering. Voor het Performaal iq
(piq) kunnen de aanpassingen echter extreem groot zijn, rond
de 65 jaar zelfs 10 of 11 punten in positieve of negatieve richting (Tellegen,
2002a). Bij de wais-iii
komt daar als derde factor bij dat de nieuwe en betere normeringsmethode die men
wil gebruiken ook tot veranderingen in de IQ-scores zal leiden.
Het is moeilijk om vooraf aan te geven hoe groot de veranderingen als
gevolg van deze verschillende factoren precies zullen zijn. Onze verwachting is
dat het voor het merendeel van de onderzochte personen zal variëren van 0 tot 5
punten. In het geval van een combinatie van factoren, en vooral bij lage en hoge
iq-scores, zullen de veranderingen soms oplopen tot 10
punten. Voor de wais-iii kan de
verandering nog groter zijn bij de overgang bij oudere leeftijdsgroepen. Is
het gebruik van de WISC-III en de WAIS-III op dit moment verantwoord? In
het artikel over de stand van zaken met de wais-iii
(Span, 2002) is door Swets Test Publishers naar voren gebracht dat, hoewel de
normen voor verbetering vatbaar zijn, de normgroep van de wais-iii
een veel betere afspiegeling is van de huidige populatie dan de normgroepen van
ieder andere in Nederland verkrijgbare intelligentietest. Het is de vraag of dat
wel zo is. Swets Test Publishers heeft natuurlijk wel gelijk dat de normen van
de wais van dertig jaar geleden
zeer sterk verouderd zijn en tot grotere afwijkingen leiden dan de huidige
normen van de wais-iii, ook al zijn
deze niet optimaal. Als bezwaar van de huidige normen kan gelden dat onzeker is
hoe groot de afwijkingen zijn en dat de afwijkingen niet voor iedereen gelijk
zijn. Dit is zo, maar ook bij de oude wais
geldt dat niet bekend is of het Flynn-effect voor alle leeftijden even groot is
of dat het constant is over de range van scores.
In Nederland wordt het acceptabel geacht dat tests met sterk verouderde
normen (bijvoorbeeld de rakit, git,
bos 2-30, Raven pm
en de ldt) en/of tests met sterke
afwijkingen als gevolg van brede leeftijdsintervallen (zoals de wisc-r, rakit,
ldt en bos
2-30) gebruikt worden voor indicatiestelling (Resing et al., 2002) of voor het
nemen van belangrijke onderwijskundige beslissingen (Ministerie van ocw,
2002). Hierbij steken de afwijkingen in de normen van de wais-iii
niet ongunstig af. Voor de wisc-iii
geldt dit des te meer daar extreme afwijkingen bij de wisc-iii
niet te verwachten zijn.
Wanneer de beperkingen, die ook voor de hiervoor genoemde andere tests
gelden, in acht worden genomen, is het gebruik van de wisc-iii
en de wais-iii met de huidige
normen naar onze mening wel verantwoord. Aangezien het cotan-oordeel
voor de normen van de wais-iii een
onvoldoende is, en de wisc-iii nog
niet is beoordeeld, dient men met de uitslagen van deze tests wel met grote
omzichtigheid om te gaan. Is
het gebruik van de WISC-III en de WAIS-III op dit moment verstandig? Ofschoon
de systematische afwijkingen bij de wais-iii
en de wisc-iii niet ongunstig
afsteken bij een aantal andere veel gebruikte intelligentietests, doet zich bij
deze twee tests toch een unieke situatie voor. Over enige tijd zullen verbeterde
normen bekend worden waarvan de iq-scores
een betere schatting van het intelligentieniveau geven. De huidige iq-scores
moeten daarom als voorlopige scores worden beschouwd. Op grond van ethische
overwegingen is de psycholoog verplicht dit bekend te maken aan de cliënt en
aan de opdrachtgever. Bovendien zal de psycholoog, zodra de verbeterde score
bekend is, deze moeten meedelen aan de cliënt en aan de opdrachtgever.
Volgens artikel III.2.5 van de Beroepscode voor Psychologen (nip,
1998) moet de cliënt verbeteringen kunnen aanbrengen in zijn of haar dossier en
in de rapportage. De cliënt is daartoe alleen in staat indien de psycholoog hem
op de hoogte brengt van de verbeterde testscore. Als de psycholoog niet vooraf
waarschuwt dat de testuitkomst een voorlopig karakter heeft, loopt hij of zij
het risico later aansprakelijk te worden gesteld door een cliënt die zich
benadeeld kan achten door een beslissing die gebaseerd is op de eerdere,
afwijkende score.
Het hoeft hierbij niet om grote verschillen te gaan. Een paar iq-punten
kan al het verschil maken of ouders te horen krijgen dat hun kind ‘licht
zwakzinnig’ is dan wel ‘laag begaafd’ (zie Resing & Blok, 2002). In
psychologisch en sociaal opzicht is dit echter een ingrijpend onderscheid. Ook
binnen de indicatiestelling worden bandbreedtes gehanteerd met absolute grenzen.
Bij de gehandicaptenzorg en bij de financiering hiervan in het kader van de awbz,
worden in sommige gevallen eveneens absolute iq-grenzen
gehanteerd. In een recent persbericht van de Gezondheidsraad is zelfs een
verband gelegd tussen een iq-grens
van 60 en de onwenselijkheid van ouderschap.
De ethische verplichting om de cliënt en opdrachtgever te informeren
omtrent het voorlopige karakter van de testuitkomsten die nu met de wisc-iii
of de wais-iii worden verkregen,
geldt natuurlijk ook voor alle personen die tot nu toe al met de nieuwe tests
zijn onderzocht. Voor zover in deze gevallen sprake is van schade voor de cliënt,
de opdrachtgever of voor de onderzoeker zelf, zouden de uitgevers/auteurs
daarvoor aansprakelijk kunnen worden gesteld. Zij zijn immers verantwoordelijk
voor het uitbrengen van een test waarbij ten onrechte is gesteld dat de normen
op een representatieve steekproef gebaseerd zijn.
Het gebruik van voorlopige normen brengt de psycholoog in een onmogelijke
situatie. De wetenschap dat de score straks zal worden bijgesteld, zal
verlammend werken bij advisering en maakt de tests onbruikbaar om belangrijke
beslissingen op te baseren. Dit probleem zal mogelijk alleen maar groter worden
als de datum van publicatie van de nieuwe normen dichterbij komt. Ook al is van
een claimcultuur vooralsnog in Nederland geen sprake, het gebruik van de wisc-iii
en de wais-iii lijkt niet
verstandig zolang de goede normen nog niet beschikbaar zijn. Wanneer de
gebruikers op grote schaal de wais-iii
en de wisc-iii gaan terugsturen,
zal het in de toekomst niet meer voorkomen dat dergelijke belangrijke tests zo
slordig worden uitgebracht. Dr.
P.J. Tellegen is universitair docent/onderzoeker bij de afdeling
Persoonlijkheidspsychologie en Differentiële Psychologie van de
Rijksuniversiteit Groningen. Hij is auteur van verschillende intelligentietests.
E-mail <p.j.tellegen@ppsw.rug.nl>. Literatuur Kessels,
R.P.C. & Wingbermühle, P.A.M. (2001). De wais-iii
als neuropsychologisch instrument. De
Psycholoog, 36, 296-299. Kort,
W., Schittekatte, M., Compaan, E.L., Bosmans, M., Bleichrodt, N., Vermeir, G.,
Resing, W.C.M. & Verhaeghe, P. (2002). Wisc-iii
nl. Handleiding. Nederlandse bewerking. London: The Psychological
Corporation. Laan,
E.C. van der & Oswald, H.L. (2001). Wais-iii
in discussie. De Psycholoog, 36,
677-678. Laros,
J.A. & Tellegen, P.J. (1991). Construction and validation of the son-r
5,5-17, the Snijders-Oomen non-verbal intelligence test. Groningen:
Wolters-Noordhoff. Ministerie
van ocw (2002). Wat
basisscholen moeten weten over indicatiestelling praktijkonderwijs en
leerwegondersteunend onderwijs in het schooljaar 2002-2003. Den Haag:
Ministerie van OCW. Nip (1998). Beroepsethiek voor
Psychologen. Nieuwe Beroepscode 1998. Amsterdam: nip. Resing,
W. & Blok, J. De classificatie van intelligentiescores. Voorstel voor een
eenduidig systeem. De Psycholoog, 37,
244-249. Resing,
W.C.M., Evers, A., Koomen, H.M.Y., Pameijer, N.K., Bleichrodt, N. & Boxtel,
H. van (2002). Indicatiestelling:
condities en instrumentarium. In het kader van leerlinggebonden financiering.
Amsterdam: ndc/Boom. Span,
M.M. (2002). Wais-iii. De stand van
zaken. De Psycholoog, 37,
602-606. Tellegen,
P.J. (2002a). De kwaliteit van de normen van de wais-iii.
De Psycholoog, 37, 463-465. Tellegen,
P.J. (2002b). De wisc-iii nl.
Een illusie armer. De Psycholoog, 37, 607-610. Uterwijk,
J. (2000). Wais-iii Nederlandstalige bewerking. Technische handleiding.
Lisse: Swets & Zeitlinger. Uterwijk,
J. (2001). Wais-iii in discussie.
Reactie Swets. De Psycholoog, 36,
678. |
Copyright © 1998 www.orthopedagogiek.com te 's-Hertogenbosch NL
|