Wisc III 2002 NL

website for educationalists and psychologists & Site Internet de psychopédagogie  

Start Omhoog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De wisc RN is een verouderde intelligentietest. Hiervoor is de WISC-III NL: (Wechsler Intelligence Scale for Children - Revised) in de plaats gekomen.

De WISC-III NL (Wechsler Intelligence Scale for Children) bestaat uit twaalf onderdelen: zes verbale of mondelinge en zes performale of praktische subtests, die hieronder beschreven worden.

* Informatie: vragen die een beroep doen op de algemene kennis.
* Overeenkomsten: gevraagd wordt de overeenkomst tussen steeds twee zaken te noemen.
* Rekenopgaven :mondeling aangeboden rekenvraagstukjes uit het hoofd oplossen.
* Woordenschat: de betekenis van allerlei woorden mondeling weergeven.
* Begrijpen: vragen over allerlei sociale- en maatschappelijke situaties.
* Cijferreeksen: rijtjes cijfers nazeggen, eerst vooruit, dan achterstevoren.
* Onvolledige tekeningen: ontbrekende details op plaatjes ontdekken.
* Plaatjes ordenen: plaatjes in de goede volgorde leggen, zodat het verhaaltje klopt.
* Blokpatronen: mozaïekpatronen naleggen door middel van blokken
* Figuur leggen: legpuzzels maken
* Substitutie: de ene schriftelijke code in de andere omzetten, naar een voorbeeld
* Doolhoven: met een potlood in doolhoven, de weg naar de uitgang aangeven.

Met behulp van de standaardscores per subtest wordt een "intelligentieprofiel' samengesteld. Zo worden de relatief sterke en zwakke cognitieve vaardigheden zichtbaar. De gemiddelde standaardscore per subtest is 10 met een 'normale' spreiding van 1 punten daarboven en daaronder. Bij de scores tussen 9 en 11 spreken we dus van een gemiddelde, normale score ten opzichte van de eigen leeftijdsgroep. 12 en 13 en hoger is bovengemiddeld en 7 en 8 en lager zijn beneden gemiddeld
Er worden verschillende IQ's berekend: een totaal IQ (TIQ) een totaal verbaal IQ (TVIQ) en een totaal-performaal IQ (TPIQ) Een IQ van 100 is gemiddeld, met een speling van 15 punten daarboven en daaronder. Een IQ>115 beschouwt men als bovengemiddeld, bij een IQ < 85 spreken we van benedengemiddeld. Bij een IQ>130 wordt iemand hoogintelligent of hoogbegaafd genoemd (al naargelang de filosofie achter de begripsdefiniëring)

Wechsler Intelligence Scale for Children - III

by Lizette Campbell (Child and Educational Psychologist) |

The Wechsler Intelligence Scale for Children-III (WISC-III) is a battery of tests for 6 to 17 year olds that evaluates intellectual abilities. The WISC-III consists of two scales, the Verbal Scale and the Performance Scale. Each of these scales has several subtests.

The Verbal Scale measures language expression, comprehension, listening, and the ability to apply these skills to solving problems. The examiner gives the questions orally, and the child gives a spoken response. The Performance Scale assesses nonverbal problem solving, perceptual organisation, speed, and visual-motor proficiency. Included are tasks like puzzles, analysis of pictures, imitating designs with blocks, and copying.

Several scores are obtained from the WISC-III. Scale scores (Verbal and Performance IQ scores) are the summary measures of verbal and performance skills, and the Full Scale IQ is an index of general intellectual functioning.

Factor scores and subtest combinations show other indices of cognitive ability. These scores may provide additional hypotheses about learning style and factors underlying scores on the WISC-III. Scale, factor, and subtest scores show strengths and weaknesses when compared to other young people of the same age or to the student's own pattern of development.

A typicial report summary may look like:

IQ Scale / Index

IQ Scale Score

Percentile

Confidence Interval

Range

Verbal IQ

 

 

 

 

Performance IQ

 

 

 

 

Full Scale IQ

 

 

 

 

Verbal Comprehension Index

 

 

 

 

Perceptual Organisation Index

 

 

 

 

Freedom From Distractibility Index

 

 

 

 

Processing Speed Index

 

 

 

 

Test scores change over time due to chance, error, and many other factors. A Percentile rank expresses the relative position of a score. For example, a percentile rank of 98 means that a child has scored as well as or better than 98% of students of the same age on that subtest. The confidence interval indicates the probable range of scores which can be expected when this individual is retested. Subtest scaled scores (listed below) range from 1 to 19.

 

Scaled Score

%ile Rank

Description

Verbal Subtests

 

 

 

Information

 

 

General factual knowledge, long term memory

Similarities

 

 

Abstract reasoning, categories, relationships

Arithmetic

 

 

Attention, concentration, numerical reasoning

Vocabulary

 

 

Word knowledge, verbal fluency

Comprehension

 

 

Social judgement, common sense reasoning

Digit Span

 

 

Short term auditory memory, concentration

Performance Subtests

 

 

 

Picture Completion

 

 

Alertness to essential detail

Coding

 

 

Visual motor co-ordination, speed, concentration

Picture Arrangement

 

 

Sequential, logical thinking

Block Design

 

 

Spatial, abstract visual problem solving

Object Assembly

 

 

Visual analysis, construction of objects

Symbol Search

 

 

Speed of processing novel information

Mazes

 

 

Fine motor co-ordination, planning, following directions

Intelligence tests like this one are samples of problem solving abilities and learned facts, and are good predictors of future learning and academic success. However, there are several factors that the tests do not measure. For instance, they cannot determine motivation, curiosity, creative talent, work habits, study skills, or achievement in academic subjects. These should also be considered when interpreting the scores in this report.

Disclaimer:

The information provided is intended to give parents an overview of the Wechsler Scales and how they are used to assess children. The Wechsler tests form one part of an assessment, and other measures may include an early developmental history, formal and informal observation of the child, academic skills testing, measures of personality, emotional and social development, examination of the child's creative and school interests and so on.

It is important to discuss any questions relating to your child's assessment with the psychologist who performs the assessment as they can put the test results and observed behaviours into context with their knowledge of the different tests and of child development. It is also important to realise that, as every child is unique, there cannot be a "recipe" type approach to interpreting their scores or results. This is particularly true of isolating one or two subtest scores.


WISC-RN / WISC III / WISC III 2002 INTELLIGENTIETEST

Omdat kinderen met PDD-NOS de kans lopen om op school wat achter te blijven met hun prestaties, wordt vaak aangeboden om hen een intelligentietest af te (laten) nemen. Op zichzelf natuurlijk geen enkel probleem. Maar deze kinderen laten zich echter lastig testen omdat ze soms gewoon geen zin hebben of omdat de test te lang duurt om het hoge niveau van concentratie, dat daarbij hoort, vast te houden. De uitkomst dient dus altijd met enige argwaan bekeken te worden. Om ouders toch een indruk te geven van zo'n intelligentietest bespreken wij hier de meest gebruikte, de WISC-RN / WISC III 2002 test. Deze test meet het algemene intelligentieniveau.

Maar wat is nu eigenlijk intelligentie? Een werkbare definitie van intelligentie kan zijn: het vermogen om relaties (tussen personen en/of zaken) te begrijpen, om (na) te denken, om problemen op te lossen, en om je aan te passen aan nieuwe situaties.

De WISC-RN / WISC III 2002 test (Wechsler Intelligence Scale for Children-Revised for the Netherlands) stamt uit 1985 en wordt gebruikt om de intelligentie te testen van kinderen tussen de 6 en 16 jaar.

Een IQ van rond de 100 wordt als gemiddeld gezien. De helft van de Nederlanders hebben een IQ dat ligt tussen de 90 en de 110. De rest zit daar boven of beneden.

Hoogbegaafd meer dan 130
Begaafd 121-130
Bovengemiddeld 111-120
Gemiddeld 90-110
Beneden gemiddeld 80- 89
Moeilijk lerend 60- 79
Zeer moeilijk lerend minder dan 60

Het IQ is samengesteld uit twee onderdelen: het verbale IQ en het performale IQ. Het verbale IQ bestaat uit de taalvaardigheden. Het performale IQ meet de ruimtelijke vaardigheden.

Met een intelligentietest kan niet worden vastgesteld of iemand PDD-NOS, dyslexie, ADHD, of een andere ontwikkelings-, gedrags- of leerstoornis heeft. Wel geeft het een indicatie over de mogelijkheid van het voorkomen van dyslexie, faalangst, etc.

De WISC-RN / WISC III 2002 test is opgebouwd uit 12 verschillende subtests. Deze subtests bestaan uit verschillende vragen en opdrachten. Het begin van de subtest is steeds eenvoudig, maar wordt steeds moeilijker naarmate de test vordert.

De psycholoog, die de test afneemt, legt elke nieuwe subtest met een voorbeeld uit. Daarna is het kind aan de beurt. Er wordt gestopt met iedere subtest wanneer de vragen of de opdrachten te moeilijk worden. Dus: als het kind een aantal vragen achter elkaar onjuist beantwoord heeft.

De subtests van de WISC-RN / WISC III 2002

Subtest 1: Informatie

Dit onderdeel bestaat uit vragen naar algemene kennis. Veelal feiten of informatie die het kind in zijn omgeving heeft opgedaan. Deze subtest zegt iets over de algemene ontwikkeling van het kind.

Subtest 2: Onvolledige tekeningen

Dit zijn tekeningen waaraan iets ontbreekt. Het kind moet zeggen of aanwijzen wat ontbreekt. Deze subtest zegt iets over de waarneming. Kijkt het kind slechts globaal of ook naar details.

Subtest 3: Overeenkomsten

De tester laat een aantal woordparen horen. Het kind moet telkens de overeenkomst aangeven tussen de twee woorden. Deze subtest zegt iets over het logisch redeneren.

Subtest 4: Plaatjes ordenen

Er wordt een serie plaatjes door elkaar geschud. Het kind moet de plaatjes in de goede volgorde leggen zodat ze een verhaaltje vormen. Deze subtest zegt iets over het visueel organiseren en het logisch redeneren.

Subtest 5: Rekenopgave

Aan de hand van verhaal-sommen moet het kind de antwoorden uit het hoofd uitrekenen. Deze subtest zegt iets over de rekenvaardigheid.

Subtest 6: Blokpatronen

Met blokken moet het kind patronen naleggen. Deze subtest zegt iets over het ruimtelijk inzicht.

Subtest 7: Woordenschat

Het kind moet de betekenis van allerlei woorden geven.

Subtest 8: Figuur leggen

Het kind moet puzzels maken met ongekleurde puzzelstukjes. Deze subtest zegt iets over de vaardigheid om van delen een geheel te maken.

Subtest 9: Begrijpen

Over allerlei sociale situaties worden vragen gesteld en het kind moet deze beantwoorden. Deze subtest zegt iets over het vermogen om sociale situaties te doorzien en te begrijpen.

Subtest 10: Substitutie

Het kind krijgt een vel papier met een heleboel cijfers erop. Bij elk cijfer hoort een bepaald teken (in een voorbeeld is te zien welk teken dat is). Het kind moet de tekens zo snel mogelijk achter de cijfers invullen. Deze subtest zegt iets over het visuele korte-termijn geheugen.

Subtest 11: Cijferreeksen

Cijferreeksen moeten worden nagezegd. Naarmate de test vordert worden deze reeksen langer. Eerst moeten ze in gewone volgorde worden nagezegd, daarna in omgekeerde volgorde. Deze subtest zegt iets over het auditieve geheugen van het kind.

Subtest 12: Doolhoven

Het kind moet met een potlood de weg naar buiten tekenen bij doolhoven. Deze subtest zegt iets over het vermogen om te plannen en te organiseren.

De oneven subtesten hebben samen betrekking op de verbale mogelijkheden.

De andere (even) zijn meer praktische opdrachten en geven een beeld van de performale mogelijkheden.

Voor iedere subtest wordt een score berekend. Alle scores samen geven, omgerekend naar de leeftijd, het IQ van het kind.

De orthopedagoog / psycholoog kan echter meer met de scores doen. Daarbij gaat hij na hoe het kind heeft gescoord op een bepaalde factor, zoals 'verbaal begrip' (begrijpen van taal) of 'perceptuele waarneming' (waarneming).

Intelligentie-profiel

Een andere mogelijkheid is om de scores van de verschillende subtests met elkaar te vergelijken. Dat geeft een beeld van het intelligentie-profiel. Soms zijn er namelijk grote verschillen tussen de scores van de verschillende subtests. Het kind heeft dan een 'disharmonisch profiel'. Dat betekent dat er (hele) hoge en (hele) lage scores zijn. De redenen hiervan kunnen zijn: dyslexie, faalangst, obsessieve compulsieve stoornis (dwangneurose), etc. Het is aanleiding voor verder onderzoek.

Taakaanpak

De testresultaten geven aan hoe de intelligentie van het kind is opgebouwd. Ook geven ze informatie over de taakaanpak van het kind:

· Gaat het direct aan de slag of overdenkt het de taak eerst rustig;
· Hoe reageert het kind als een taak te lastig voor hem is. Probeert het er toch uit te komen of zegt het snel dat hij het niet snapt;
· Gaat het stapje voor stapje aan het werk of probeert het steeds maar wat en vindt door 'trial-and-error' uiteindelijk (wel of niet) het juiste antwoord;
· Kan het zich langere tijd concentreren op een taak of wordt het snel afgeleid;
· Formuleert het goed of spreekt het in halve zinnen;
· Moet het vaak naar woorden zoeken

Samengevat zegt het bovenstaande iets over het proces van informatie-verwerken en leren.

Andere bekende tests

RAKIT (geReviseerde Amsterdamse Kinder-IntelligentieTest) en is bestemd voor kinderen tussen de 4.2 en 11.2 jaar. Ook deze test bestaat uit 12 subtests.

Son-R is de Snijders-Oomen Non-verbale-intelligentietest (Gereviseerd). Deze test is bestemd voor kinderen van 5.5 tot 17 jaar. Het belangrijkste verschil met de andere intelligentie-tests is dat de antwoorden geheel non-verbaal kunnen zijn. Door middel van (bijv) aanwijzen is deze test zeer geschikt voor kinderen met ernstige taalproblemen. Er bestaat ook een kleuterversie van deze test.

Voor kinderen jonger dan 6 jaar is er ook de WPPSI (Wechsler Preschool and Primary Intelligence Scale) en vanaf 17 jaar kan de WAIS (Wechsler Adult Intelligence Scale) gebruikt worden.


Tot slot:
Iedere intelligentietest is per definitie onbetrouwbaar wanneer deze gebruikt wordt voor het testen (of vergelijken) van personen met verschillende sociale, raciale, culturele of economische achtergronden.
 

Copyright © 1998 www.orthopedagogiek.com te 's-Hertogenbosch NL
Laatst bijgewerkt: 19 maart 2008